Zijn leven lang een consistente kameleon

Philip Johnson, die dinsdag op zijn landgoed in New Canaan overleed, is zonder twijfel dé Amerikaanse architect van de twintigste eeuw. Hij is 98 jaar geworden. Meer nog dan door zijn omvangrijke oeuvre verdient hij deze kwalificatie doordat hij tot het laatst bij alle belangrijke wendingen in de Amerikaanse architectuur was betrokken. Als jonge conservator van het Museum of Modern Art in New York leverde hij in 1932 met de tentoonstelling The International Style een belangrijke bijdrage aan de doorbraak van het modernisme in de Verenigde Staten. Een halve eeuw later gaf hij met zijn AT&T-gebouw in New York, een soort gigantische Chippendale-kast van roze graniet, zijn zegen aan het postmodernisme en verklaarde zo het modernisme dood.

Minder dan tien jaar later sloot hij zich aan bij weer een andere architectuurmode: het deconstructivisme. Met de mede door hem georganiseerde tentoonstelling Deconstructivist Architecture probeerde hij in 1988, opnieuw in het MoMA, zijn kunststukje van 1932 te herhalen. Maar het deconstructivisme werd uiteindelijk niet zo algemeen geaccepteerd als het modernisme. Het bleef een marginaal verschijnsel, al liet Johnson met een nieuw paviljoentje op zijn landgoed nog zelf zien hoe schots en scheef een deconstructivistisch gebouw diende te zijn.

Van huis uit was Philip Johnson geen architect. Als telg van een steenrijke familie studeerde hij in de jaren twintig kunstgeschiedenis. Hij trok naar Europa om daar de pionierswerken van het Nieuwe Bouwen te zien, zoals het Bauhaus-gebouw in Dessau. Hier raakte hij niet alleen in de ban van het Nieuwe Bouwen, maar ook van Hitlers `Nieuwe Orde'. Na het organiseren van de tentoonstelling The International Style nam hij ontslag bij het Museum of Modern Art om zich in te zetten voor de Amerikaanse fascist Huey Long. Later richtte hij zijn eigen fascistische partij op, won een zetel in de senaat van Ohio, zegde die op en werd handlanger van de antisemitische pater Charles Coughlin. In 1939 was hij ooggetuige van de Duitse invasie in Polen, waar hij een antisemitisch artikel over schreef in het tijdschrift Social Justice. In 1941, toen Duitsland de Verenigde Staten de oorlog verklaarde, verliet hij de politiek en keerde hij terug naar Harvard, dit keer om architectuur te studeren.

Na zijn studie werd Johnson de trouwste leerling van de Duitse architect Ludwig Mies van der Rohe, de ex-Bauhaus-directeur die in 1938 naar de Verenigde Staten was geëmigreerd. Met het Glass House, dat hij in 1949 voor zichzelf in New Canaan bouwde, was hij `mieser' dan Mies, de architect die beroemd is geworden met zijn adagium `less is more'. Een paar jaar later hielp hij Mies van de Rohe bij het ontwerpen van diens Seagram Building in New York, de kantoortoren van staal en glas die over de hele wereld navolging zou vinden.

Philip Johnson zat er niet mee dat hij in het begin van zijn architectencarrière vaak werd uitgemaakt voor `akoliet van Mies van der Rohe'. ,,Het is beter om goed te zijn dan origineel'', praatte hij zijn leermeester na. Ook latere kritiek op zijn wendingen, zoals zijn bekering tot het postmodernisme, maakte geen enkele indruk op hem. ,,Ik ben een hoer'', zei eens over zichzelf in de jaren dat hij in tal van Amerikaanse steden neo-neogotische en neo-neoclassicistische gebouwen neerzette. Dit gold overigens voor alle architecten, vond hij. ,,Als de duivel Mies een opdracht had gegeven, zou hij hem hebben aangenomen'', zei Johnson eens.

Maar achter Johnsons cynische of, zoals hij het zelf liever noemde, nihilistische houding, gingen ondanks zijn stijlbreuken consistente opvattingen over architectuur schuil. Het Nieuwe Bouwen of het modernisme was voor hem geen methode en al helemaal niet een levensovertuiging, maar slechts een stijl. En zoals elke stijl, was het modernisme slechts beperkt houdbaar, vond Johnson. De tijdgeest was zijn ware opdrachtgever. En dus greep hij in de jaren zestig, toen het modernisme volgens hem steriel was geworden, terug op het classicisme en de barok, al kwam dit hem op heftige kritiek te staan van de scherpslijpers van het modernisme.

Johnson was een `consistente kameleon', zoals hij in het boek Philip Johnson. The Architect In His Own Words uit 1994 treffend wordt genoemd. Zijn gebruik van barokke en classicistische elementen maakt zijn bekering tot het postmodernisme in de jaren zeventig minder vreemd dan toen voor velen leek. Goedbeschouwd was hij met zijn abstract classicistische gebouwen als het New York State Theatre in New York een wegbereider van het postmodernisme. Zelfs voor zijn late bekering tot het deconstructivisme, volgens aanhangers `een chaotische architectuur voor chaotische tijden', zijn in zijn artikelen voorbodes te vinden. ,,Er is maar één zekerheid tegenwoordig en dat is verandering'', schreef hij al in 1966, een jaar of twintig voordat veel andere architecten werden bevangen door het onzekerheidsvirus van het deconstructivisme. ,,Er zijn geen regels en zeker geen zekerheden in de kunst en architectuur, alleen een mistige chaos. En van die chaos zouden we gebruik moeten maken. Als het dan toch chaos wordt, dan kunnen we net zo goed leuke, sappige chaos hebben.''

Behalve door zijn vele gebouwen, waarvan er nu een wordt gebouwd in Rotterdam, zal Philip Johnson vooral ook worden herinnerd om zijn rake, demystificerende uitspraken over archtitectuur. ,,Mies heeft, net als de meeste architecten, de illusie dat hij doet wat hij zegt'', zei hij bijvoorbeeld al in de jaren zestig over zijn leermeester. ,,Maar gelukkig is dat niet zo.'' Toen al geloofde hij dat een architect weinig zinnigs kon zeggen over de vorm van zijn gebouwen. ,,Waar de vorm vandaan komt, weet ik niet, maar het heeft niets te maken met de sociologische of functionele aspecten van de architectuur. Form follows form, not function.''