Nationale bank in ivoren toren

De Nederlandsche Bank voelde de tijdgeest niet altijd even scherp aan. Econoom en DNB-medewerker Wim Vanthoor heeft haar geschiedenis geschreven.

Snel, correct en nauwgezet: het zijn ineens geen flatteuze beschrijvingen meer, wanneer econoom Wim Vanthoor de manier beschrijft waarop De Nederlandsche Bank onder het NSB-bewind van Rost van Tonningen het geld en de effecten van joodse rekeninghouders overhevelde naar een particuliere bank. Vanthoor, verbonden aan de afdeling wetenschappelijk onderzoek van De Nederlandsche Bank (DNB), beschrijft in zijn boek De Nederlandsche Bank. Van Amsterdamse kredietinstelling naar Europese stelselbank de geschiedenis van zijn werkgever vanaf de oprichting in 1814 tot 1998, toen DNB tot het in Frankfurt gevestigde Europese Stelsel van Centrale Banken toetrad.

De Nederlandsche Bank is in 1814 uit nood geboren. De economie had ernstig geleden onder de Napoleontische oorlogen. Vijf dagen voordat hij de troon besteeg tekende Willem I het `Octrooi en reglement' waarin de oprichting ervan werd aangekondigd. In het begin was haar belangrijkste opdracht het verstrekken van krediet en het vergemakkelijken van het betalingsverkeer. Naar het oordeel van de nieuwe vorst was het voor het bedrijfsleven te lastig om aan vreemd geld te komen. Dat moest makkelijker worden door een overkoepelende instelling in het leven te roepen die als kredietverschaffer voor particuliere banken en kassiershuizen optrad en in het geval van liquiditeitsproblemen een helpende hand kon toesteken.

De Nederlandsche Bank werd de eerste instelling in Nederland die bankbiljetten ging uitgeven. De introductie van papiergeld was een paardenmiddel om de stagnerende economie vlot te trekken. De grootste coupure was 1.000 gulden, de kleinste 25. Pas in 1948 werd het alleenrecht van DNB op de uitgifte van bankbiljetten in de wet vastgelegd.

De Bank maakte geen vliegende start. De behoefte aan krediet bleek gering en het grote publiek had bitter weinig vertrouwen in de nieuwe bankbiljetten, waarop tot 1825 de bedragen nog met de pen moesten worden ingevuld. Wat kon het publiek trouwens aanvangen met bankbiljetten waarvan de kleinste coupure ongeveer gelijk was aan het toenmalige maandloon van een doorsnee arbeider?

De Eerste Wereldoorlog werd de lakmoesproef. De mobilisatieplicht zorgde voor een algehele paniekstemming, die zich onder andere uitte in een ongekende hamsterwoede en in het oppotten van alles wat men aan zilvergeld kon bemachtigen. Ondanks de dagenlang aanhoudende run op de geldvoorraden kon De Nederlandsche Bank steeds aan de grote vraag naar zilver en bankbiljetten voldoen. De Bank had hiermee bewezen solide en betrouwbaar te zijn.

In de jaren dertig kwam De Nederlandsche Bank andermaal in zwaar weer terecht. Vanthoor kraakt over het in de jaren dertig gevoerde beleid enkele harde noten. Het stelselmatig negeren van aanwijzingen dat de instorting van de aandelenmarkt van Wall Street in oktober 1929 wel eens grote gevolgen zou kunnen hebben voor de monetaire verhoudingen, kwam De Nederlandsche Bank duur te staan. Op het moment dat het Britse pond devalueerde had DNB zo veel ponden in bezit, dat van het ene moment op het andere een verlies van circa 30 miljoen gulden moest worden geïncasseerd – de gehele reserve van de bank op dat moment. Hij veroordeelt eveneens het beleid tijdens de Tweede Wereldoorlog. Geen vergoelijkende woorden over de vrijwel volledige nazificering van de bank (na de benoeming van de NSB'er Rost van Tonningen tot president, liep De Nederlandsche Bank geheel aan de leiband van de Duitse Reichsbank), geen uitvluchten over de rol van de bank bij het `beroven' van de Nederlandse joden, wel een openhartige passage over het uiteindelijke verlies van ongeveer 70.000 kilo goud. De bemoeienis van De Nederlandsche Bank met het naoorlogse rechtsherstel wordt evenmin rooskleuriger voorgesteld dan ze was.

Kort na de oorlog werd de formele status van De Nederlandsche Bank veranderd: in navolging van enkele omringende landen werd de Bank in 1948 genationaliseerd. In de nieuwe Bankwet werden drie kerntaken geformuleerd: het betalingsverkeer, het monetaire beleid en het toezicht op de banken. Wat de zorg voor het betalingsverkeer betreft, ging De Nederlandsche Bank in het girale verkeer er lange tijd (terecht) van uit dat dit primair een taak was van de commerciële banken. Daardoor concentreerde de Bank zich tot in de jaren zeventig vooral op de uitgifte van de bankbiljetten en de verzorging van de circulatie ervan. Hierbij liet De Nederlandsche Bank zich vooral kennen als een behoudende instelling. Het in 1968 in gebruik genomen hoofdkantoor aan het Frederiksplein – gebouwd op de 2.755 palen van het in 1929 door brand verwoeste Paleis voor Volksvlijt – werd steeds meer een ivoren toren, aldus Vanthoor. Tekenend is dat, terwijl elders de `salarisrekening' al vanaf 1965 inburgerde, De Nederlandsche Bank zelf pas een decennium later het wekelijkse loonzakje verving door de maandelijkse overschrijving naar een girale rekening.

Vanaf het midden van de jaren zeventig werden deze drie kerntaken in toenemende mate bepaald door ontwikkelingen buiten de landsgrenzen, door Vanthoor aangeduid als `de weg naar Frankfurt'. Hier schrijft hij vooral als econoom en minder als historicus, waardoor de vaart eruitgaat. Zo weet hij over Wim Duisenberg slechts één anekdote te vermelden, namelijk dat hij en zijn eveneens Friese voorganger Zijlstra ,,onder elkaar soms hun moedertaal spraken''.

W. Vanthoor: De Nederlandsche Bank. Van Amsterdamse kredietinstelling naar Europese stelselbank, uitg. Boom, 400 blz., ISBN 90 5352 982 9, €29,50.