Het is bang en het spaart

Europa heeft, als de beleidsmakers gelijk hebben, een probleem voor de korte termijn en een probleem voor de lange termijn. De korte-termijnkwestie, waar de Amerikanen de Europese leiders nog wel eens op willen aanspreken, is de gebrekkige consumptiegroei. De burger op het continent spaart liever dan dat hij geld uitgeeft, en dat is niet de bedoeling. Juist nu de exportgroei als trekker van het prille herstel van de economie op zijn laatste benen loopt, moet de binnenlandse vraag het werk overnemen. Maar dat gebeurt, door al dat overmatige spaargedrag, maar niet. De Nederlandsche Bank maakte eergisteren bekend dat in de afgelopen drie jaar in Nederland het spaargeld met 50 miljard is opgelopen tot 206 miljard euro.

Tot zover de korte termijn. Het grootste probleem voor de lange termijn is de arbeidsmarkt, die niet flexibel genoeg is. Daar wordt inmiddels hard aan gewerkt, in het kader van de zogenoemde `Lissabon-agenda' die van de Europese Unie de meest concurrerende economische zone ter wereld moet maken. Hoe flexibeler die arbeidsmarkt, hoe lager de werkloosheid kan zijn zonder dat die meteen tot loonstijgingen en inflatie leidt. Het doel is dus, naast vele andere, om de zogenoemde non aacelerating inflation rate of unemployment (Nairu) naar beneden te krijgen. Dat is het werkloosheidspercentrage waarbij loondruk (Nawru) of meer algemeen inflatiedruk (Nairu) begint te ontstaan.

Wat dat betreft is het interessant wat de Amerikaanse econoom Michael Dicks vorige week liet zien tijdens een presentatie van de zakenbank Lehman Brothers. Dicks kwam met een grafiek waarin zowel de particuliere spaarquote in de Eurozone was opgenomen als het verloop van de gemiddelde Nawru in de Eurozone. Beide zijn over de tijd elkaars spiegelbeeld. Hoe lager de Nawru, hoe meer er gespaard wordt, en andersom. Het heeft er veel van weg dat meer consumeren en flexibeler werken op korte termijn onverenigbaar zijn.

Dat is niet zo gek als het lijkt. In feite is de hoogte van de Nawru indirect een maatstaf voor de arbeidszekerheid. Als werknemers pas bij een laag werkloosheidspercentage genoeg macht hebben om hun lonen op te schroeven, dan tekent dat hun situatie op de arbeidsmarkt. Europeanen moeten daar wellicht nog aan wennen. Hoe lager de `loonacceleratiegrens' door het Lissabonbeleid naar beneden wordt geduwd, hoe meer de werknemer voor de zekerheid geneigd is geld opzij te zetten. Dramatisch hoeft dat niet te zijn. Sparen kan een mens niet oneindig volhouden. Maar het kan wel betekenen dat de Europese werknemers, en dus zeker ook de Nederlandse, langer op hun geld blijven zitten dan beleidsmakers zouden wensen.