Niemand is echt blij met het refendum over grondwet

Er komt een referendum over de Europese Grondwet. De Eerste Kamer stemde daar gisteren mee in. Maar zowel voor- als tegenstanders hebben weinig vertrouwen in een goede afloop.

Wij vinden het een waardeloos voorstel, maar we stemmen ermee in. Met ongeveer die motivatie ging een meerderheid in de Eerste Kamer gisteren akkoord met een initiatiefwet op grond waarvan Nederland waarschijnlijk in juni zich voor of tegen de zogenoemde Europese Grondwet kan uitspreken. ,,Dit is beter dan niets'', voegde senator Van Raak (SP) de drie indieners van het voorstel toe.

En ook VVD'er Van Heukelum – wiens fractie uiteindelijk over het lot beschikte van het voorstel van de Tweede-Kamerleden Karimi (GroenLinks), Dubbelboer (PvdA) en Van der Ham (D66) – zag in het referendum vrijwel alleen maar bezwaren. Maar omdat het over zo'n belangrijk onderwerp ging, stemden hij en zijn 14 fractiegenoten na een week aarzelen toch maar voor de volksraadpleging.

De kritiek op dit referendum is velerlei en komt óók van degenen die gisteren vóór stemden. De bezwaren van voor- en tegenstanders van de volksraadpleging zijn ruwweg in drie categorieën onder te brengen: de mate waarin dit raadplegende referendum toch bindend is, de volgens sommige oneerlijk campagne die in het verschiet ligt en het door vooral de tegenstemmers verwachte oneigenlijke gebruik.

Het nationale antwoord op de referendumvraag behoort slechts een welwillend advies te zijn aan het parlement van een groot of een klein deel van de bevolking om dat in Rome ondertekende verdag wel of niet te ratificeren. Want in een bindend referendum voorziet de Nederlandse grondwet niet, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Frankrijk, Ierland en Denemarken.

Bij de behandeling van het initiatief-wetsvoorstel in de Tweede Kamer maakten diverse fracties echter duidelijk de uitkomst in de praktijk wel als bindend te zullen bejegenen. Ook Kamervoorzitter Frans Weisglas (VVD) was daarover twee weken nog zeer duidelijk toen hij in deze krant zei: ,,Uitslag is uitslag, je moet niet naar de opkomst kijken. Als de bevolking tegen is, is de meest logische gevolgtrekking dat de Kamer unaniem tegen de grondwet stemt. Juist ook als Kamervoorzitter lijkt het mij onvoorstelbaar dat de Kamer niet luistert naar het referendum waartoe zij zelf besloten heeft.''

Het zijn dergelijke teksten die in de Eerste Kamer vooral bij de VVD-fractie voor grote aarzeling hebben gezorgd. Uiteindelijk bedacht een meerderheid van de senaatsfracties dat hun partijgenoten in de Tweede Kamer dan wel mogen zeggen dat ze de referendumuitslag moeten volgen, maar dat daarna ook de Eerste Kamer moet beslissen over ratificatie van de Europese grondwet. Daarbij, zo kondigde een voor de VVD geruststellende meerderheid in de senaat gisteren aan, zullen we onze eigen afweging maken.

Het kabinet nam een afstandelijkere positie in. Vice-premier De Graaf (Bestuurlijke Vernieuwing, D66) vond het plan van Karimi, Dubbelboer en Van den Ham sowieso geen goed idee. Het initiatief kwam immers niet uit het volk zelf, zoals bij enkele lokale referenda was gebeurd, maar uit het parlement, zo zei hij in de Tweede Kamer. Daarmee kreeg de volksraadspleging naar zijn smaak te veel een topdown-karakter.

Maar, zo kondigde De Graaf vorige week in de Eerste Kamer aan, als er dan toch een referendum komt, dan zet het kabinet ook alles op alles om de uitslag daarvan `voor' (een Europese Grondwet) te laten zijn.

En dat, zo zei Van Raak gisteren, maakt dat van een eerlijke referendumcampagne geen sprake meer kan zijn. Want de `nee'-stemmers hebben niet de middelen en vooral de toegang tot free publicity die de regering wel heeft voor zijn `ja'-campagne.

De Graaf kondigde aan nóg een campagne te zullen voeren. De tweede is bedoeld om de opkomst zoveel mogelijk te bevorderen. Peilingen schatten de opkomst nu nog in als laag, doordat tweederde van de ondervraagde Nederlanders onbekend is met de Europese Grondwet. Van de rest zou de helft ervoor stemmen en 20 procent tegen. ,,Te denken valt aan een campagne van het type: `U komt toch ook?'', zei De Graaf. Hij gaf er geen blijk van een probleem te zien in een regering die tegelijk een opkomstbevorderende campagne voert en een die oproept vóór de Europese Grondwet te stemmen.

Tegenstanders van het referendum in de senaat durfden vorige week wel zeer expliciet hun wantrouwen in het beoordelingsvermogen van de burger in deze kwestie te ventileren. Diverse sprekers vreesden dat populisme teveel de kop op zou steken. ChristenUnie senator Eimert van Middelkoop oordeelde het hardst. ,,Aan die zelfridiculering van onze parlementaire democratie doen wij niet mee'', zei hij. Bovendien voorspelde hij: ,,Dit referendum zal gaan over de scepsis van de burger over de euro, over de recente uitbreiding van de Unie, over Buttiglione, over declaraties en het reisgedrag van europarlementariërs en natuurlijk over Turkije.''

Daarmee verwees Van Middelkoop naar het van de VVD afgescheiden Tweede-Kamerlid Wilders die te kennen heeft gegeven zich in het `nee-kamp' te nestelen en campagne tegen de toetreding van Turkije tot de Europese Unie. ,,En om zijn nieuwe partijformatie te promoten'', zei Van Middelkoop. ,,Neem het hem eens kwalijk.''