Leve de canon maar niet te absoluut

In het debat over Nederlandse cultuur en identiteit moeten we deze `leeggeraakte' begrippen opnieuw definiëren om om een onderwijsprogramma hierover te kunnen opstellen, betogen Hans Bennis, Peter Jan Margry en Herman Roodenburg.

De discussie over de vraag of de Nederlandse cultuur en onze identiteit een duidelijker gezicht zouden moeten krijgen in het onderwijsprogramma, samengevat als het pleidooi voor een `canon' die zowel voor immigranten bij hun inburgering als voor autochtone Nederlanders zou moeten gelden, komt voort uit drie verschillende tendenzen in de hedendaagse samenleving.

Ten eerste zien we dat het begrip Nederland aan belang inboet. Niet alleen zijn wij onze koloniën kwijtgeraakt, maar ook onze grenzen staan onder druk in het verenigde Europa. Een tweede element is de globalisering, waardoor andere culturen een belangrijk deel zijn gaan uitmaken van onze samenleving, zoals bij kleding

(T-shirt en jeans), muziekcultuur (rap en R&B) en eetcultuur (hamburger en pizza). Ten derde leidt de komst van immigranten uit uiteenlopende culturen tot een veranderende Nederlandse identiteit.

De tijd dat de Nederlandse identiteit vanzelfsprekend leek te zijn, is verdwenen. De data 9/11, 6/5 en 2/11 zijn omslagpunten gebleken in de wijze waarop de samenleving tegen de eigen identiteit aankijkt. Niet deze gebeurtenissen zelf, maar vooral de weerslag ervan in de Nederlandse samenleving leidde tot de roep om concreet geformuleerde waarden en normen. Deze door Balkenende aangezwengelde discussie heeft nu een vervolg gekregen in het debat over de Nederlandse cultuur en de Nederlandse identiteit als deel van het onderwijs.

Daarbij dient zich nadrukkelijk de vraag aan wat de begrippen `Nederlandse cultuur' of `Nederlandse identiteit' eigenlijk betekenen. Uit de reacties op het voorstel van de Onderwijsraad blijkt dat deze begrippen verschillend worden ingevuld. Het gaat dan over heldendaden uit de vaderlandse geschiedenis, literatuur en schilderkunst, maar ook over veel gebruikte en algemenere Nederlandse eigenschappen zoals tolerantie, handelsgeest en vrijheidsdrang. Voor een zinvolle invulling van een onderwijsprogramma over `Nederlandse identiteit' is een wat breder perspectief nodig.

Dan komt eerst de vraag: wat bedoelen we eigenlijk met `identiteit' en `cultuur'? Identiteit is een populair, maar ook een moeilijk te vangen begrip. Alles wat een persoon doet of zegt, kan gezien worden als het product van de groep waar hij of zij toe behoort of waar hij of zij uit voortgekomen is. Bovendien behoren we altijd tot verschillende groepen tegelijk; we hebben altijd meerdere identiteiten, en welke identiteit door anderen naar voren wordt gehaald, hangt af van de sociale en dikwijls ook politieke context. Tenslotte, identiteit is vooral een relationeel begrip. We markeren onze eigen identiteit door ons af te zetten tegen andere groepen of we maken de beelden die anderen over ons koesteren tot de onze (zo zijn bijvoorbeeld `onze' properheid of `onze' Volendammer kostuums tot nationaal icoon geworden). De complexiteit van het begrip `identiteit' maakt het voorstel van de Onderwijsraad tot een intrigerende maar riskante onderneming. In feite stelt de raad voor een nog te formuleren `nationale' identiteit te institutionaliseren.

In onze visie wordt identiteit vooral bepaald door taal, geschiedenis, geloof en cultuur gezamenlijk. Door de wisselende invulling en combinatie van deze categorieën schept een natie zich een identiteit. Bovendien is in dat proces niet alleen de wijze hoe wij over onszelf denken van belang, maar ook hoe van buiten tegen Nederland wordt aangekeken en over Nederland wordt geschreven.

Bij `cultuur' denken we niet alleen aan Rembrandt en Multatuli, maar vooral ook aan de cultuur van alledag, de cultuur waar we als Nederlanders, elite of volk, `nieuw' of `oud', allemaal deel aan hebben. Juist daar spelen onze vaak geroemde directheid (of `botheid', zoals Erasmus al signaleerde), onze tolerantie (of `onverschilligheid'), onze openheid (of `gebrek aan nationaal besef') of onze saamhorigheid (of `arrenslee-gevoel', zoals de voorzitter van de raad het formuleerde) – kortom, al die Nederlandse omgangsvormen die voor buitenlanders en immigranten zo moeilijk te plaatsen zijn. Ook gaat het daar om onze grotendeels impliciete opvattingen over moraal en religie, openbaar en privé, eer en schande (al of niet groepsgebonden) en ga zo maar door. En juist in de alledaagse cultuur spelen traditie versus moderniteit, en globalisering versus localisering. Of we nu kijken naar MacDonald's, het hoofddoekje of het jaarlijkse kerstgebeuren, steeds blijken tegengestelde cultuurontwikkelingen in elkaar te grijpen en harmonisch samen te gaan: identiteit is het resultaat van een continu proces van verandering, van reconstructie.

Dat hoeft niet te betekenen dat er voor het onderwijs geen praktische canon zou kunnen worden gehanteerd. Immers, voortdurend zijn er kenmerken in de samenleving aanwezig die voor een periode bepalend geacht worden bij de identiteitsvorming. Was honderd jaar geleden het christelijke gedachtegoed een overheersend aspect van de nationale identiteit, nu is dat eerder onze houding ten opzichte van de islam. Was honderd jaar geleden klederdracht nog een identiteitsvormend, cultureel aspect van onze samenleving, nu is dat veeleer oranje kledij met bijpassende attributen.

Om een dergelijke variabele identiteit te vangen in een onderwijsprogramma, moeten we het eerst eens worden over een algemene, dynamische interpretatie van het begrip `nationale identiteit'. Identiteit is ons inziens een overkoepelende term. Vervolgens is het mogelijk om een aantal culturele categorieën te benoemen die bepalend zijn voor de concrete vormgeving van die identiteit. Ten slotte moeten we erop toezien dat de invulling van deze categorieën niet de status krijgt van een vaste canon, maar juist van een veranderlijke keuze, die telkens kan aansluiten bij een voortdurend wisselende maatschappelijke realiteit.

Aan de hand van gangbare en meer algemene identiteitskenmerken van de Nederlandse samenleving kan heel goed een dergelijk curriculum worden ingevuld. Te denken valt dan bijvoorbeeld aan thema's als de Nederlandse openheid, tolerantie, moraliteit, burgerlijke cultuur, handelsgeest, religiositeit, relatie met het water, Gouden Eeuw(-en) etc.

Deze `traditionele' karakteristieken lenen zich naar hun aard heel goed om de relativiteit, tijdelijkheid en subjectiviteit ervan via het onderwijs inzichtelijk te maken. Om een voorbeeld te noemen: de spreekwoordelijke openheid en tolerantie van de Nederlandse samenleving kunnen goed diachronisch en comparatief worden belicht, waarbij zowel bijvoorbeeld de ogenschijnlijk gemakkelijke opname van Vlamingen, Portugese joden en Franse hugenoten als de te plaatsen kanttekeningen in heden (opkomende islamofobie) en verleden (antipapisme) aan de orde komen.

Dergelijke Nederlandse karakteristieken zouden moeten worden behandeld op basis van eerdergenoemde culturele categorieën, zodat een multidisciplinair gedragen inzicht ontstaat over de manier waarop historie, religie, taal en de cultuur van het dagelijks leven het mogelijk maken identiteiten te construeren maar evenzeer te gebruiken en te misbruiken.

Wij kunnen hier niet een uitgewerkt onderwijsprogramma schetsen, maar hebben vooral willen aangeven dat identiteit als een dynamisch en centraal te stellen begrip moet worden beschouwd en dat identiteit betrekking heeft op, of gevormd wordt door een brede verzameling culturele categorieën.

Met het oog op een beter begrip van onze complexe samenleving onderschrijven wij van harte het voorstel van de Onderwijsraad om te komen tot een onderwijsprogramma op het gebied van Nederlandse cultuur en identiteit.

Prof.dr. Hans Bennis, dr. Peter Jan Margry en prof.dr. Herman Roodenburg zijn respectievelijk als directeur, senior onderzoeker en onderzoeksleider verbonden aan het Meertens Instituut voor Nederlandse Taal en Cultuur (KNAW) te Amsterdam

    • Peter Jan Margry
    • Hans Bennis
    • Herman Roodenburg