Zorgen en behoeften van conservatief Nederland

Het artikel van Ralf Bodelier `Wilders kan nog heel wat leren van Bush' (NRC Handelsblad, 17 januari) lijkt meer een lofzang aan de Amerikaanse president voor zijn zogenaamde prestaties op het gebied van ontwikkelingshulp en immigratie dan een aanval op Geert Wilders en zijn criteria.

Ten eerste, veel van de door de VS `geholpen' landen zijn eerder om een of andere reden (communisme, totalitarisme, terrorisme enz.) door Amerikaanse militaire interventie materieel, sociaal en politiek verwoest (Vietnam, Afghanistan, Irak), om vervolgens met dollars en het liefst onder Amerikaans toezicht `hersteld' te worden.

Ten tweede, de Amerikaanse drang om te helpen wordt niet altijd gehonoreerd met de behoefte om geholpen te worden, zoals Anil Ramdas beweert in zijn artikel over India, toevallig op dezelfde pagina. De massale `girohysterie' die elke nieuwe ellende in Azië, Afrika of waar dan ook in Amerika en Europa veroorzaakt, is een typische, eenrichtingverkeerachtige reactie van het paternalistische en pseudo-christelijke westen, die de getroffen landen noch verwachten noch weten te waarderen.

Ten derde, Amerika is vanouds een van de grootste immigratielanden ter wereld en heeft zijn eigen ideeën ontwikkeld over immigratie en de consequenties daarvan. Het is dus bijna onmogelijk om een gigant als de VS te vergelijken met het uiterst kleine en overvolle Nederland, waarvan de geschiedenis, volksaard, mentaliteit en problematiek in meerdere opzichten heel anders zijn. De lange lijst van statistische gegevens van R. Bodelier, hoewel interessant, is niet genoeg als pleidooi voor G. W. Bush en zijn beleid noch als argument tegen de opvattingen van Geert Wilders. Misschien zou de toon van Bodelier minder pedant en minachtend zijn als hij zelf de zorgen en behoeften van `conservatief Nederland' door een minder op Amerika gerichte bril zou analyseren.