Een grens gepasseerd

In september vorig jaar verklaarde minister Donner (Justitie, CDA) zich tegen een ,,oorlog tegen het terrorisme''. Hij zocht nadrukkelijk houvast bij het strafrecht, al zal dit volgens hem wél duidelijk verschil moeten maken tussen gewone en terroristische misdrijven. ,,Dat zal ongetwijfeld discussie opleveren over grensgevallen'', aldus de bewindsman. Zo'n discussie bevestigt echter dat er grenzen bestaan. Zo kan het strafrecht alleen worden ingezet bij een redelijke verdenking en alleen tot sancties leiden bij voldoende bewijs. Nu wil het kabinet toch deze grens overgaan. Het vraagt nieuwe, vergaande bevoegdheden tegen personen die het niet vertrouwt, ook zonder een concrete verdenking. Het gaat om een meldplicht bij de politie, een verbod van het betreden van bepaalde plaatsen (zoals het Binnenhof) of een beroepsverbod voor radicale geestelijken. Ook moet het goedpraten van gewelddaden strafbaar worden.

Tussen september en de persconferentie van gisteren zit de moord op Theo van Gogh, die veel heeft losgemaakt. Het kabinet kondigde een breed scala van maatregelen aan: vreemdelingenrecht, financieel toezicht en controle, politiek-bestuurlijke maatregelen. De observatie van personen die op enigerlei wijze te relateren zijn aan terroristische of radicaliseringsprocessen wordt geïntensiveerd. Moskeeën die de openbare orde schenden, zullen bij de rechter worden voorgedragen voor verbodenverklaring en ontbinding, ook als niet strafrechtelijk kan worden ingegrepen.

Een aantal praktische maatregelen, zoals uitbreiding van de capaciteit van de AIVD en met name de Dienst persoonsbeveiliging, is zeker nodig. De nieuwe bevoegdheden zijn echter blijvend van aard en treffen klassieke mensenrechten: de godsdienstvrijheid, de vrijheid van meningsuiting en de bewegingsvrijheid. Onze Grondwet kent dat laatste weliswaar niet, maar Nederland is er wel aan gebonden op grond van het Europees verdrag voor de mensenrechten. Dit stelt niet alleen de eis van een wettelijke grondslag voor optreden zoals Donner voor ogen staat, maar ook dat zo'n wet ,,noodzakelijk in een democratische samenleving'' is.

Deze noodzaak valt minder makkelijk hard te maken dan nu wordt voorgesteld. Er is net een nieuwe Wet terroristische misdrijven, die op onderdelen verder gaat dan het Europese kaderbesluit waarop hij is gebaseerd. Op grond daarvan kunnen werving voor de `jihad' en samenspanning worden aangepakt, naast het bestaande verbod van deelneming aan een criminele organisatie. Laatstgenoemde strafbepaling is zelfs effectief gebleken tegen notoir ongrijpbare krakersgroepen. Het gewone strafrecht bevat verder expliciete mogelijkheden in te grijpen bij delicten in een pril stadium van voorbereiding. Haatzaaien is al een delict. Het is dan ook misleidend om het voor te stellen dat Nederland met lege handen staat tegenover personen die wel eens ,,griezelige dingen'' in de zin zouden kunnen hebben, zoals de fractieleider van het CDA het uitdrukt.

Minister Donner zegt dat we de gevaren van zijn maatregelen voor de rechtsstaat niet moeten overdrijven. En in Straatsburg, waar het Europese Hof voor de mensenrechten zetelt, waait kennelijk een nieuwe wind, afgaande op een interview met de nieuwe Nederlandse rechter Egbert Myjer in het Nederlands tijdschrift voor mensenrechten. Myjer noemde het heel goed mogelijk dat het Hof het niveau van rechtsbescherming verláágt. Prominente juristen hebben echter ooit met reden gewaarschuwd dat het gevaar in een tijd van crisis niet is dat de rechtsstaat in één keer over de rand wordt gekieperd, maar stukje bij beetje.