Bush-doctrine mist praktische onderbouwing

In zijn inhuldigingstoespraak wekte president Bush de indruk dat er geen conflict bestaat tussen de idealen (democratie, vrijheid) en de (economische) belangen van Amerika. Maar het tegendeel is het geval, betoogt Fareed Zakaria.

De tweede inhuldigingstoespraak van George W. Bush zal de geschiedenis ingaan als een krachtige bevestiging van de Amerikaanse ideeën en idealen. Zijn rede was – in stijl en inhoud – de climax van een standpunt dat hij sinds 11 september 2001 steeds meer is gaan innemen: dat het doel van de Amerikaanse buitenlandse politiek de verbreiding van de vrijheid moet zijn.

Dit is geen nieuw thema voor een Amerikaanse president. Woodrow Wilson, Franklin Roosevelt, John Kennedy en Ronald Reagan spraken allemaal in dezelfde toonaard en bewoordingen. Alleen heeft Bush de hartstocht van de bekeerling aan dit streven toegevoegd. In korte stellige zinnen, beïnvloed door de King Jamesbijbel en zijn meest welsprekende voorgangers, gebruikte Bush vrijwel zijn hele toespraak om het wereldbeeld te schetsen dat Amerika zo kenmerkt: dat de ,,beste hoop op vrede in onze wereld de verbreiding van de vrijheid over heel de wereld is''.

Democratische hervormers zullen overal ter wereld ongetwijfeld moed vatten. Dictators zullen zich nerveus afvragen wat dit allemaal betekent. Ook dat sluit aan bij een grote Amerikaanse traditie. Toen Wilson en Roosevelt zich tegen wereldrijken uitspraken, tergden zij de Europese grote mogendheden. Toen Kennedy en Reagan over vrijheid spraken, wekte dat ongerustheid bij de junta's van Latijns Amerika en de despoten van Oost-Azië. Toen de regering-Carter met jaarverslagen over de mensenrechten kwam, werkte dat overal ter wereld regimes op de zenuwen. Door open en oprecht over het belang en de universaliteit van de vrijheid te spreken, hebben Amerika – en, eerlijk is eerlijk, Europa – een wezenlijke rol gespeeld. Ze hebben de vrijheid op de wereldagenda gezet. En Bush heeft geprobeerd haar nog hoger te plaatsen.

Maar door dit te doen, heeft Bush ook een andere kwestie hoger op de agenda geplaatst: het vraagstuk van de Amerikaanse schijnheiligheid. Ik betoog vaak tegen een bevriende Indiase zakenman hoe oneerlijk het is dat Amerika in het buitenland met zulke argusogen wordt bekeken. ,,Waarom had niemand kritiek op de Fransen of Chinezen vanwege hun povere reactie op de tsunami?'', vroeg ik hem laatst. Zijn antwoord was eenvoudig. ,,Amerika stelt zich op als de morele scheidsrechter van de wereld, oordeelt over de verdiensten van alle andere regimes, en vertelt de rest van de wereld wie goed of slecht is'', zei hij. ,,Dat doet niemand anders. Amerika plaatst zich in een uitzonderingspositie. En dus wordt de kloof tussen zijn woorden en zijn daden oogverblindend duidelijk – en voor de meesten van ons uitermate ergerlijk.'' Die kloof is gewoon een stuk groter geworden.

De kloof is zo uitgesproken, omdat Bush met deze toespraak niet alleen de vrijheid heeft geprezen, maar verder is gegaan. Hij heeft verklaard dat de bevordering van de vrijheid voortaan Amerikaans beleid is. In 1947 proclameerde Harry Truman de `Truman-doctrine' – die tot de indamming van de Sovjet-Unie leidde – door te zeggen: ,,Ik ben van mening dat het beleid van de Verenigde Staten moet zijn vrije volkeren te steunen die zich verzetten tegen pogingen hen te onderwerpen, door bewapende minderheden of door druk van buiten.'' Die bewoordingen klonken door toen Bush verklaarde: ,,Het beleid van de Verenigde Staten is om in elke natie en cultuur de groei van democratische bewegingen en instellingen te steunen, met als uiteindelijke doel de tirannie in onze wereld uit te bannen.'' Vervolgens schetste de president een aantal standpunten die de Verenigde Staten in de toekomst zullen innemen, en die allemaal duidden op een verschuiving in de Amerikaanse politiek.

De kloof tussen retoriek en werkelijkheid is weliswaar onvermijdelijk, maar toch ook opvallend. De regering-Bush heeft niet bepaald luidkeels dictators ter verantwoording geroepen – niet meer of minder eigenlijk dan andere recente regeringen. Vladimir Poetin is voorop gegaan in de belangrijkste ommekeer van de vrijheid overal ter wereld, waar Bush hem alleen om heeft geprezen als een geestverwant. Nog schandelijker is dat de president zich aan de kant van Poetin heeft geschaard in diens uitleg van de Tsjetsjeense oorlog als een verdedigingsactie tegen terroristen. Natuurlijk is het een ingewikkeld verhaal, maar het Russische leger heeft wel zo'n 100.000 Tsjetsjeense burgers gedood tijdens de wrede campagne om hun het recht op afscheiding te ontzeggen.

De president zei in zijn toespraak tegen de democraten op de wereld: ,,Als jullie pal staan voor je vrijheid, zullen wij achter jullie staan.'' Maar toen democratisch Taiwan vorig jaar opstond tegen communistisch China, kreeg het een openbare waarschuwing van Bush, die de kant van Peking koos. Toen in Saoedi-Arabië moedige dissidenten gevangen werden gezet, omdat zij de mogelijkheid opperden van een constitutionele monarchie in dat land, maakte de Amerikaanse regering daar amper melding van. Kroonprins Abdullah, die regeert over één van de acht meest repressieve landen ter wereld (volgens de organisatie Freedom House), is een van een handjevol leiders die is uitgenodigd op de ranch van de president in het Texaanse Crawford. (De gekozen leiders van bijvoorbeeld India, Frankrijk, Turkije en Indonesië is deze eer nooit ten deel gevallen.) De president heeft een ontmoeting gehad met – en hulp verleend aan – Islam Karimov, de dictator van Oezbekistan, leider van een van de akeligste regimes die de wereld op het ogenblik kent en veel repressiever dan Iran, om maar één voorbeeld te noemen.

Ik wil niet beweren dat de president in al deze gevallen landen moet binnenvallen of banden moet verbreken of zelfs maar leiders moet veroordelen. Er zijn begrijpelijke redenen waarom de Verenigde Staten voor hun veiligheid moeten zorgen, en ook politieke en economische overwegingen. Maar president Bush heeft in zijn toespraak de indruk gewekt dat er geen conflict is tussen de idealen en de belangen van Amerika. De staat van dienst van zijn regering wijst – net als die van alle vorige – juist op het tegendeel.

De plaats waar de president deze belangen en idealen wel terecht ziet samenvallen, is het Midden-Oosten. De terreur die dat gebied verspreidt, wordt in de kern veroorzaakt door het gebrek aan vrijheid en openheid – economisch, politiek, sociaal, intellectueel.

In een vertrouwd patroon heeft de extreme en gewelddadige onderdrukking door regeringen geleid tot een cultuur van extreem en gewelddadig verzet. (Er zijn nog meer oorzaken en klachten, zoals de Amerikaanse buitenlandse politiek. Alleen heeft Amerika zich in landen als Vietnam en Chili wel schuldig gemaakt aan onrechtvaardigheden, maar het heeft geen cultuur van zelfmoordaanslagen en jihadi's voortgebracht).

In het Midden-Oosten is de bevordering van de vrijheid in de woorden van Bush een ,,dringend vereiste voor de (Amerikaanse) veiligheid, en de roeping van onze tijd''. De neiging van president Bush om de steun aan de status-quo in het Midden-Oosten te staken en te streven naar hervorming en vrijheid, wordt in Amerika breed gesteund. De vraag is hoe dit moet worden aangepakt. Het antwoord is niet altijd vanzelfsprekend. In Jordanië bijvoorbeeld is de niet-gekozen koning liberaler, opener en vooruitstrevender dan de meeste gekozen democraten, van wie menigeen extreem reactionair is. De Verenigde Arabische Emiraten gelden als een van de minst vrije landen ter wereld, maar de grootste stad, Dubai, is snel bezig een open vrije markt-enclave te worden.

Bush mag in zijn doelstellingen de fraaiste visioenen hebben, maar veel praktische wijsheid over de manier om ze in een complexe wereld te verwezenlijken, heeft hij niet te bieden. Dit gebrek aan aandacht voor het lange, zware karwei om de democratie ook echt te bevorderen, verklaart misschien het povere resultaat van de belangrijkste praktische toepassing van de Bush-doctrine tot dusver – Irak. In de overtuiging dat alleen de tiran maar hoeft te worden verdreven om een land vrijheid te brengen, lijkt de regering-Bush vrijwel geen serieuze plannen te hebben gemaakt om na de oorlog recht en orde te handhaven, laat staan om de instellingen van een democratische staat op te bouwen. Mocht dit overdreven klinken, denk dan aan de uitzonderlijke woorden in de `evaluatie' van de belangrijkste divisies van de Amerikaanse landmacht in Irak, de Derde Infanteriedivisie, onlangs aangehaald in een essay door Michael O'Hanlon. Deze luiden: ,,De top van het hoofdkwartier voorzag de Derde Infanteriedivisie niet van een plan voor Fase IV (de naoorlogs fase). Daardoor ging de Derde Infanteriedivisie zonder leiding over op Fase IV.''

Van Versailles tot Vietnam is dit altijd het gevaar geweest van het Amerikaanse idealisme. Niet dat de idealen verkeerd of gevaarlijk waren, maar wel dat de Amerikaanse beleidsbepalers, voldaan over de verdiensten van hun verheven doelstellingen, de praktische werkelijkheid ter plaatse uit het oog verloren.

In Irak richt de Amerikaanse regering zich op het juiste probleem, al is ze dan niet zo bedreven geweest in het bedenken van een oplossing. Maar is ook buiten het Midden-Oosten het probleem van de tirannie ,,de roeping van onze tijd''? Is het op dit moment het overheersende vraagstuk voor de wereld als geheel?

Eén inhuldigingsrede klinkt meer dan alle andere door bij de zelfbewuste Bush: de toespraak van John Kennedy uit 1961, die JFK ook vooral tot de wereld richtte, en waarin hij beloofde ,,elke prijs te betalen, elke last te dragen... om het voortbestaan en welslagen van de vrijheid te verzekeren.'' Toen John Kennedy sprak, was het overgrote merendeel van de wereld onvrij. Een aantal van de grootste en meest productieve gebieden ter wereld werd geregeerd door machtige totalitaire regimes die elk aspect van het leven van hun onderdanen beheersten en die de vrije wereld met de macht van wapens bedreigden.

Nu leven we in een wereld die grotendeels vrij is. In 1972, toen Freedom House begon met zijn gebruik landen te rangschikken op een schaal van vrij en onvrij, plaatste het 54 (van de 149) landen op de wereld in de categorie onvrij met een score van 6 of meer (waarbij 7 het meest onvrije is). Nu scoren maar 25 van de 192 landen op de wereld een 6 of hoger.

Condoleezza Rice maakte een lijst van een deel van dit geboefte in haar verklaring in de Senaat: Cuba, Birma, Noord-Korea, Iran, Wit-Rusland en Zimbabwe. Is een beeindiging van de Birmaanse tirannie een dringend vereiste voor de Amerikaanse veiligheid? Is de strijd tegen het afgetakelde Cubaanse bewind de roeping van onze tijd?

We leven in een democratisch tijdperk. Veel landen zijn dan wel geen liberale democratie, maar vaak toch een vreemde mengeling van vrijheid en onvrijheid. Rusland is ondanks Poetins fouten een veel opener maatschappij en economie dan welk communistisch land ooit is geweest. China, vaak omschreven als een totalitaire staat, is eigenlijk eenzelfde soort mengeling: een land waarin mensen steeds meer kunnen leven, werken, reizen, kopen, verkopen, handelen en zelfs hun geloof kunnen belijden waar ze willen, maar zonder enige politieke vrijheid. Spreek met een jonge Chinese ambtsdrager en hij zal u vertellen dat zijn land deze restricties mettertijd zal laten vieren. Daarmee zijn Rusland of China nog niet vrij, maar ze zijn ook geen van beide meer de totalitaire tirannieën van weleer.

Voor een groot deel van de wereld is het probleem niet het verlangen naar democratie maar het vermogen om een stabiele, doelmatige en fatsoenlijke overheid op te bouwen. Pakistan bijvoorbeeld ontbreekt het niet aan de wens tot democratie; die heeft het al gevestigd in 1947. Maar sindsdien is het land als gevolg van zwakke sociale structuren, economische stagnatie en politieke crises vaak de kant uit gegaan van een dictatuur en erger nog: van de ondergang. Onlangs denderde het land, democratisch en wel, bijna op anarchie af. Volgens Rice is het nu weer op de gematigde weg, maar wel onder een militaire dictator. De Verenigde Staten hebben een keer of tien op verschillende manieren geprobeerd democratie in Haïti te brengen. Nooit is het wat geworden.

Voor een flink deel van de wereld is de grote uitdaging van dit moment burgeroorlog, extreme armoede en ziekte, waardoor niet alleen de democratie maar de orde als zodanig wordt overweldigd. Het is niet zo dat zulke maatschappijen onverschillig zijn voor vrijheid. Iedereen, overal, zou verkiezen om zijn eigen lot te bepalen. Maar dit betekent niet zoveel als de fundamentele orde die voorafgaat aan een beschaafd leven wordt bedreigd, en ziekte en dood de dringendste dagelijkse zorg zijn.

Een groot deel van Afrika is redelijk vrij, houdt verkiezingen en is veel opener dan ooit tevoren. De grote uitdaging in bijvoorbeeld Senegal en Namibië is niet de vrijheid maar een doelmatige staat. De schrijver van de Amerikaanse vrijheid, James Madison, schreef in The Federalist Papers dat ,,bij de vorming van een regering waarbij mensen over mensen moeten heersen, de grote moeilijkheid hierin gelegen is: eerst moet de regering in staat worden gesteld om over de onderdanen te heersen; en vervolgens moet ze worden verplicht om zichzelf te beheersen.'' Orde en dan vrijheid (dat hadden we in Irak wel eens mogen bedenken).

Het teken aan de wand is er. De overgebleven tirannieën zullen uiteindelijk ten onder gaan. En de wereld zal zich langzaam naar een steeds grotere vrijheid bewegen. De Verenigde Staten hebben gelijk dat ze deze tendens een handje helpen. De president doet er verstandig aan de weg vooruit te schetsen. Maar we moeten ook nota nemen van de tendensen in de richting van chaos, ellende en armoede, die de aandacht van een groot deel van de wereld geheel opeisen. Dat zijn ook grote kwaden, en we dienen wegen voor te stellen waarlangs de wereld deze kan aanpakken. Ook dat zou een interessante en belangrijke toespraak opleveren.

Fareed Zakaria is columnist voor Newsweek. © Newsweek

    • Fareed Zakaria