Verblinding

Vroeger schenen mensen wel te denken dat ze aan een gezicht konden zien of iemand deugde of niet. Of aan de ogen. We weten allemaal hoe een geslepen misdadiger eruit hoort te zien, een echte: iets demonisch in de oogopslag of het bewegen van de mondhoeken, iets kouds in de blik. Domme schurken hebben een laag voorhoofd en grote handen.

Het is de wereld van het stripboek. In het echt zie je niets aan de mensen, en al zeker niet aan hun gezichten. De foto's van de gevaarlijke fanaat Mohammed B. laten een melkmuiltje met een vlasbaardje zien – een vervelende softie eerder dan een koelbloedige moordenaar. Volkert v.d. G. leek een keurige, koele, ijverige jongeman. Wie de opnames van het Eichmann-proces heeft gezien weet al helemaal hoe weinig je aan de mensen ziet, zelfs als je ze hoort praten, zelfs als ze niet werkelijk ontkennen wat ze gedaan hebben, zelfs als je wéét hoe vreselijk het is wat ze gedaan hebben – dan nóg is het moeilijk te geloven dat degene die je daar ziet een misdadiger is.

De ambtenaar Eichmann die alles vooral graag efficiënt wilde laten verlopen en daar een eer in stelde, die zichzelf absoluut niet verantwoordelijk hield voor wat er gebeurde dankzij zijn efficiënt geregelde transporten, zijn vaardigheid om grote aantallen mensen van de ene kant van Europa naar de andere te verplaatsen, had alles van de gemiddelde kantoorklerk.

Bestaan misdadigers wel, vraag je je soms af. Of bestaan er alleen maar psychisch gestoorden en verder gewone mensen die in het verkeerde gaan geloven, die te bang zijn om te protesteren, die tijdelijk niet nadenken, zich niet verantwoordelijk voelen, geen zin hebben om te weten waar het eigenlijk over gaat? Allemaal heel gewone reacties als het om niet ernstige dingen gaat, maar onvoorstelbaarheden als het over dood en leven gaat. Of over mishandeling.

Vorige week zond Nova zond een interview uit met Lynndie England, het 21-jarige meisje dat iedereen kent van de vreselijke foto's uit de Abu Ghraib gevangenis. Wat ze zei – en wat we allang wisten – leek precies op wat Eichmann destijds zei. Er waren `orders' van `hoger geplaatsten'. Ze wilde haar werk goed doen. Ze dacht ook dat ze haar werk goed deed, ze dacht dat het de bedoeling was om op een of andere manier deze mannen te breken en zo informatie uit ze los te krijgen. Zo gaat dat in een oorlog. Zij, de slecht opgeleide, slecht voorbereide, slecht geïnstrueerde soldaten die te werk waren gesteld in de gevangenis, verhinderden aanslagen op Amerikaanse soldaten. De hoger geplaatsten hadden gezegd: goed zo, ga zo door, jullie doen goed werk.

Ze keek bepaald niet gevaarlijk of gemeen uit haar ogen. Ze zag eruit als iemand die haar emoties stevig op slot had gedaan en die verder zei wat ze dacht dat het geval was. Of wat ze zichzelf had wijsgemaakt dat het geval was. Spijt heeft ze niet. Ze zou niet weten waarvan. Wie heeft er nu spijt dat hij het belangrijke werk wat hij moest doen, goed gedaan heeft?

Aan niets merkte je dat er ooit een moment geweest was dat ze had gedacht: dit is verkeerd. Ze ging niet verder dan dat ze het soms wel `vreemd' had gevonden wat ze moest doen, dat ze maar braaf geglimlacht had voor de fotograaf als die dat gevraagd had, dat ze dacht dat het fotograferen onderdeel was van de breektactiek.

Het is verwarrend om zo iemand te zien. Ze is niet erg intelligent. Ze is niet slecht of gemeen. Ze heeft niet bewust een wet overtreden. Ze mist wel een of ander moreel gevoel, het gevoel dat gemaakt had moeten hebben dat ze het walgelijk vond wat daar gebeurde. Maar als ze de aandrang al had om het weerzinwekkend te vinden om gevangenen zo te vernederen, dan redeneerde ze dat gevoel weg met de mantra: hogerhand wil het zo. Die weten het beter. En dat is een gevoel dat een onervaren iemand, terechtgekomen in een wereld van ervarenen, makkelijk kan hebben. Bovendien had ze een vriendje dat geen enkele moeite had met een beetje `zinvol geweld'.

Het is niet goed te praten, al is het ook merkwaardig om alle schuld op een paar onnozele soldaten te schuiven en de eeuwige `hogerhand' buiten schot te laten. Maar het is vooral angstaanjagend om, weer eens, te zien hoe makkelijk iemand dingen doet die niet gedaan mogen worden, zonder wérkelijk het gevoel te hebben `een grens over te steken' zoals dat altijd heet, alsof er werkelijk een wachter gepasseerd wordt.

Zo zou iemand dat wel moeten voelen. In Griekse tragedies, waarin zo dikwijls wordt uitgedrukt dat er een wet bestaat die nu eenmaal alles overstijgt, wordt die onoverschrijdbare grens altijd indrukwekkend benadrukt. Natuurlijk wordt de wet overtreden: ,,De ellendige Verleiding is te sterk,/ de onweerstaanbare dochter/ van raadgever Verblinding.'' Helena die er met Paris vandoor ging, bezweek voor de ellendige Verleiding, met een verschrikkelijke oorlog tot gevolg. Ze deed wat niet gedaan mocht worden. Zoals Oidipous dat deed, zonder het te weten zelfs, maar dat maakt zijn daad niet minder erg. Niet de vergeeflijke menselijkheid telt, maar de wet.

Dat is wel erg hard vaak, het woord `vergeving' lijkt nog helemaal niet te bestaan. Maar sommige dingen wil je ook niet vergeven.

Dezelfde overwegingen, maar in een lichtere graad, bekropen ook de lezer van het stuk van Ger Ritsema, de radioloog die zaterdag 15 januari in deze krant schreef over de niet ongebruikelijke overtuiging van artsen dat allerlei regels niet voor hen zijn gemaakt. Zoals de chirurg die een slokdarmkanker opereert hoewel hij daar te weinig ervaring mee heeft, maar vindt dat hij dat heus wel kan, ook al opereert hij volgens de regels te weinig.

Zoals ook de automobilist die in de auto stapt met vier glazen op, omdat hij vindt dat dat voor hem geen verschil maakt. Dat hoeft ook niet fout te gaan, sterker, het gaat vaak goed. Maar als het misgaat, heb je er maar één woord voor: `misdadig'. Toch gebeurt het vaak. Ze steken een grens over, raadgever verblinding stuurde hen.

We zouden natuurlijk allemaal veel betere mensen moeten zijn (degenen niet te na gesproken die het zijn). Collega's aanspreken op fouten (maar wel alleen op belangrijke fouten), vrienden verhinderen in de auto te stappen als ze te veel hebben gedronken. Niet te snel denken: dat moet de chef maar zeggen. Of iemand anders van `hogerhand'. En als die het niet inziet, nu ja, dan mopperen we wat voor ons uit en laten het erbij. En dan gaat Lynndie England naar de gevangenis. Terecht. Maar toch.

    • Marjoleine de Vos