Ontspannen onder de schemerlamp

Er staat een bed in de tentoonstellingszaal van Museum Mesdag, opgemaakt en wel. Het is een lit en bateau, vervaardigd rond 1825; de mahoniehouten zijkanten vormen een elegante, holle lijn van hoofdeind naar voeteneind. In de andere zaal staan nog een toilettafel en een buitengewoon fraaie secretaire, welhaast architectonisch vormgegeven in een sobere Biedermeierstijl uit het begin van de negentiende eeuw.

In de Biedermeiertijd, van omstreeks 1825 tot 1850, keerde de Europese cultuur zich naar binnen en ontdekte de charmes van de huiselijkheid. In de schilderkunst begon het interieurstuk aan een bloeitijd die veel langer zou duren dan het Biedermeier zelf. Lezende vrouwen, spelende kinderen, lamplicht en veel textiel (kleden, jurken, gordijnen) bevolken dit soort schilderijen. In Museum Mesdag zijn op het ogenblik twee zalen gevuld met binnenhuistaferelen, vooral uit de tweede helft van de negentiende eeuw. Voor deze alleraardigste tentoonstelling is onbevangen profijt getrokken van de medewerking van de kunsthandel. De paar Biedermeiermeubels zijn afkomstig van de Haagse antiquair S. van Leeuwen. De helft van de schilderijen – waaronder mooi (en dus niet zo duur) werk van onbekende schilders – is van kunsthandel Simonis & Buunk uit Ede.

Het is een kleine tentoonstelling, maar de intimiteit van de twee zaaltjes past goed bij het onderwerp, en schilderijen die je elders misschien over het hoofd zou zien komen hier tot hun recht. Vlak bij dat bed hangt bijvoorbeeld een ontroerend Zittend meisje van Coba Ritsema, afkomstig uit het Haags Gemeentemuseum. Het meisje zit op een klapstoel met haar rug naar de beschouwer (een afgewende vrouwenfiguur bracht al verstilling in de interieurschilderijen van de zeventiende-eeuwse `intimisten'). Ze is in ondergoed: over haar grote witte onderrok en hemd draagt zij een stevig corset, zoals meisjes dat nu eenmaal moesten dragen omstreeks 1900, en je kunt aan het schilderij zien wat een onhandig ding zo'n corset moet zijn geweest.

De schilderijen van Alexander Bakker Korff, waarvan er een op het affiche is afgebeeld, vormen in deze tentoonstelling eigenlijk een dwaalspoor. Bakker Korffs nostalgische tafereeltjes met oude dametjes in achttiende-eeuws decor houden altijd iets kunstmatigs, hoe knap ze ook geschilderd zijn. Op de andere schilderijen gaat het juist om de ontspannen natuurlijkheid. Een `moderne' tegenhanger van Bakker Korff is Atelierjool van A. Roelofs (1906). Ook trekt hier een fraaie jurk de aandacht en zitten mensen rond een tafel, maar dat zijn geen acteurs, zij leven en hebben plezier met z'n drieën.

Op de meeste andere schilderijen is het stil. Zoals bij een vrouw met een bril, die in het licht van een schemerlamp bij de schoorsteenmantel zit te lezen. Ze is geschilderd door W.J. van Hasselt (1882-1963), een weinig bekende Nederlandse schilder die vanaf 1905 in Parijs leefde, en zichtbaar de invloed van collega's als Vuillard onderging. Of twee handwerkende dienstbodes van Elizabeth Adriani-Hovy, eendrachtig onder een lamp aan de keukentafel gezeten. Dit zijn vredige taferelen uit een schijnbaar ongeschonden wereld.

Schijnbaar natuurlijk, want de buitenwereld was toen net zo hard en lawaaiig als nu. Maar wie deze taferelen vol huiselijkheid en rust zou afwijzen als escapisme, miskent hun artistieke waarde. En trouwens, er zijn op de wereld heel wat dingen die meer kwaad doen dan escapisme.

Tentoonstelling: Binnen is het warm en gezellig. Burgerlijke interieurs 1800 - 1940. Museum Mesdag, Den Haag, t/m 6 maart. Di t/m zo 12-17 uur. Inl: 070-362 1434

    • Ileen Montijn