Smoking Area

Vroeger had roken stijl, constateert Wiegertje Postma (17) in een internationale ambiance

,,Ik heb zin om te roken'', zegt kameraad, reisgenoot en sporadisch roker Marten terwijl hij zich met moeite ophijst uit een knalrode wegzakbank. Het interieur in de wachtruimte van het vliegveld London Luton is eclectisch, en lelijk bovendien. Ikzelf ben op dat moment tegenover hem nog bezig de brownie weg te werken die ik van mijn laatste anderhalve pond gekocht heb. Het is het soort brownie waarbij de aanschaf ervan onvermijdelijk is als je hem eenmaal in de vitrine hebt zien liggen, terwijl je weet dat je je dik en ongelukkig zal voelen als je hem op hebt. Ik haal diep adem en neem de laatste hap. Slikken gaat moeilijk. ,,Ik ga wel mee'', zeg ik na nog een paar keer diep in- en uitademen, en kruip uit mijn paarse fauteuil. Ik voel me dik en ongelukkig.

Met toegeknepen ogen speuren we de hal af op zoek naar het rokersgedeelte. Heel in de verte, aan de andere kant van de vertrekhal, hangt onder het bordje naar de toiletten de verwijzing naar de `Smoking Area.' Vol goede moed volgen we de pijlen. Het wordt echter een lange tocht. Trappen op, bochten om en gangen door, gaan wij verder, gedreven door Martens verlangen naar een enkele sigaret. Toegegeven, lichamelijk voel ik me weer mijn fitte zelf als we ons doel eenmaal bereikt hebben.

Maar bij het zien van het rokershol knapt er iets in me. De tranen springen mij in de ogen, en niet alleen omdat er scherpe rook in prikt. De rokersafdeling van Londen Luton is gevestigd in het verste ongeventileerde hoekje van het vliegveld en behelst zes open hokjes, met onbewerkt hout aan elkaar getimmerd. In ieder hokje is een blikkerige statafel geplant, met hier en daar een te laag klapstoeltje ernaast. En de mensen. Ze zitten of staan en hijsen mistroostig voor zich uitstarend aan hun sigaret. Er heerst een doodse stilte. Zelfs mensen die samen kwamen en naast elkaar zijn gaan zitten wisselen geen woord en kijken strak een andere kant op. Zo nu en dan verbreekt een ziekelijk hoestje voor even het zwijgen.

Marten steekt een Gauloise op. Ik kan het niet aanzien en wend mijn hoofd af. Ik rook misschien niet, maar ik weet wel dat Gauloises niet voor deze gelegenheden gemaakt zijn. Gauloises zijn er, om in een rokerig Parijs keldercafé aan de Seine te nuttigen, terwijl je luistert naar een poëzievoordracht of deelneemt aan een pittige discussie over belangrijke existentiële vraagstukken. In het Frans natuurlijk. Je vuurrood gelakte nagels kroelend door de vacht van de kat die op tafel ligt te spinnen. Bij voorkeur dat het dan ook nog 1954 is, en Simone de Beauvoir, die naast je zit en toevallig dezelfde zwarte coltrui aanheeft als jij, het volgende rondje geeft. Daar hoort de roker thuis en niet stilletjes in tl-licht badende uithoeken van tweederangs vliegvelden.

Waar is het misgegaan? Wanneer zijn rokers veranderd van benijdenswaardige stijliconen in randfiguren die je het liefst even medelevend aan je boezem wil drukken, en in de bleekgrijze wangen wil knijpen om te laten weten dat het allemaal wel weer goed komt? De roker is van zijn sokkel gevallen, ernstig in zijn aanzien aangetast. Een kwalijke zaak. Daar zijn Gauloises niet voor gemaakt.