Irak is twee jaar later een land van dodenlijsten

Een week voor de eerste verkiezingen in Irak zonder Saddam biedt het land een somber beeld. Tienduizenden rebellen zorgen ervoor dat verkiezingsdag met angst wordt afgewacht.

,,Een vrij Irak kan een bron van hoop worden voor het hele Midden-Oosten'', zei president Bush een maand voor de Amerikaans-Britse invasie van maart 2003. ,,[..] Irak kan een voorbeeld worden van vooruitgang en welvaart in een regio die beide nodig heeft.''

In plaats daarvan is Irak bijna twee jaar later vooral een land geworden van dodenlijsten, lijsten van de verschillende categorieën slachtoffers van de sunnitische opstandelingen die met aanzienlijk succes de normalisering van het leven proberen te verhinderen. Leden van de shi'itische meerderheid. Politiemannen. Iraakse militairen. Amerikaanse militairen. Intellectuelen. Gewone burgers. Buitenlandse gastarbeiders. En nu, met de nadering van de eerste verkiezingen op 30 januari: politici. Verkiezingsfunctionarissen. Sinds het begin van de oorlog in Irak zijn al tienduizenden mensen gedood. Volgens ruwe schattingen, want de Iraakse autoriteiten houden geen algemene statistieken bij.

Afgelopen maandag nog werden – afgezien van de tientallen andere slachtoffers van die dag – twee leden van de door interim-premier Iyad Allawi aangevoerde seculiere verkiezingscoalitie vermoord in de zuidelijke stad Basra. Een was een kandidaat voor de grondwetgevende Nationale Assemblee die 30 januari wordt gekozen. De tweede deed mee aan de lokale verkiezingen die dezelfde dag worden gehouden. Allawi's partij heeft wél dodencijfers bijgehouden. Vorige week, toen drie partijleden in Bagdad en omgeving werden gedood, maakte een partijfunctionaris bekend dat in totaal 22 leden waren gedood sinds in november was begonnen met campagnevoeren.

Ook andere partijen zijn doelwit van opstandelingen. Een van de belangrijkste partijen van de gelovige shi'ieten, de SCIRI, is de laatste weken al een paar maal doelwit geweest van zelfmoordaanslagen – afgelopen dinsdag nog.

Het geweld is de reden dat er nauwelijks campagne wordt gevoerd voor de verkiezingen en dat het merendeel van de meer dan 7.500 kandidaten zich niet als zodanig heeft bekend gemaakt. Die voeren alleen campagne onder familie en bekenden. Of komen gemaskerd op de televisie. De meeste kandidaten hebben immers geen geld voor een kordon van lijfwachten. Het gaat er uiteindelijk om waarvoor hun partij staat, zo excuseren ze zich, niet wie er op de lijst staat.

De rebellen – grofweg verdeeld in buitenlandse terroristen, eigen moslimextremisten en aanhangers van het ten val gebrachte Ba'athregime van Saddam Hussein – vertegenwoordigen vooral de onvrede van de sunnitische minderheid die vroeger de lakens uitdeelde en nu shi'itische overheersing vreest. Te midden van de harde Amerikaanse tegenoffensieven groeit die onvrede alleen maar. De chef van de Iraakse inlichtingendienst, generaal-majoor Mohammed al-Chahwani, vertelde eerder deze maand in een serie zeer openhartige interviews de harde kern nu op zo'n 30.000 tot 40.000 man te schatten, met nog eens 150.000 parttimers en actieve en passieve sympathisanten – in totaal meer dan er Amerikaanse troepen in het land zijn.

De Ba'athisten spelen de hoofdrol. In een vraaggesprek met de Arabische krant Al-Sharq al-Awsat wees Chahwani erop dat het aantal Ba'athleden onder Saddam op 2 miljoen wordt geschat. Als zelfs maar een klein percentage van hen nu als guerrillastrijder actief is, zei hij, is dat aantal groot ,,en allemaal hebben ze wapens''. ,,Hun operaties zijn relatief geraffineerd wegens hun grote aantallen, hun expertise en hun financiële bronnen'' – namelijk hun leiders in Syrië, aldus Chahwani.

Waarschijnlijk gaat het daarbij dan althans ten dele om leden van de veiligheidsdiensten van Saddam en zijn (gedode) zoons, de beruchte Fedayeen Saddam en dergelijke, die na de Amerikaans-Britse invasie niet-verwachte guerrilla-acties uitvoerden tegen de invallers. Deze geoefende en goed bewapende strijders werden toen niet uitgeschakeld, maar in de Amerikaanse haast Bagdad te bereiken, in staat gesteld te ontsnappen. In die zin zou de guerrilla van nu de voortzetting zijn van de oorlog van maart 2003.

Volgens Chahwani wordt de harde kern van de opstandelingen geholpen door ,,een groot aantal mensen die de kost moeten verdienen nadat ze zonder werk waren komen te zitten, vooral mensen die in het vroegere Iraakse leger dienden''. Het Iraakse leger en alle andere veiligheidsdiensten werden in mei 2003 zonder omhaal ontslagen door de toenmalige Amerikaanse gouverneur Paul Bremer. Dit is hem door veel waarnemers als een van de grootste fouten van de Amerikaanse bezetting aangerekend omdat hij een poel van wrokkende potentiële rekruten voor rebellen had gecreëerd. Bremer verklaarde overigens deze week geen spijt te hebben van zijn actie. De bevolking steunde hem, schreef hij in The Wall Street Journal.

Hoe dan ook leidden Bremers inspanningen indertijd om zo snel mogelijk nieuwe veiligheidsdiensten te formeren tot een van de grootste problemen van vandaag: de onbetrouwbaarheid van politie en leger. Eerst zagen Amerikaanse militairen toe op de werving van agenten en soldaten, maar zij hadden geen idee wie zij rekruteerden. De Iraakse autoriteiten, die na de machtsoverdracht van eind mei 2004 deze taak op zich namen, maken zich er vaak ook makkelijk van af. Het resultaat is, aldus een artikel over de infiltratie van de Iraakse veiligheidsdiensten op de website van de Council on Foreign Relations, dat in het sunnitische midden van het land misschien wel een vijfde van de rekruten opstandelingen is. Andere agenten en soldaten steunen hun strijd, aangemoedigd door geld, haat jegens de Amerikaanse bezetting of tribale of etnische banden, aldus deze gezaghebbende Amerikaanse denktank. Of uit angst: de rebellen beschouwen de politiemannen en soldaten als collaborateurs en vertalen die mening in aanvallen en aanslagen op politiebureaus, legerposten en militaire transporten waarbij inmiddels meer dan 2.000 doden zijn gevallen.

Een voorbeeld onder vele: de héle politiemacht van de op twee na grootste stad van Irak, het noordelijke Mosul, 3.000 man sterk, loste op 10 en 11 november in lucht op toen rebellen daar enkele aanvallen op politieposten uitvoerden. Als ze al niet verdwijnen, verkiezen agenten het vaak om toe te kijken bij een rebellenactie. Het leger – dat tot voor kort voor binnenlandse taken onder de naam Nationale Garde opereerde – zou betrouwbaarder zijn dan de politie maar is eveneens bang én geïnfiltreerd. Het bewijs is dat verscheidene bloedige aanvallen op soldaten, tijdens transporten bijvoorbeeld, alleen mogelijk zijn geweest als de daders van binnenuit zijn getipt.

Deze veiligheidsdiensten moeten volgens plan op verkiezingsdag voor de veiligheid zorgen. Amerikaanse en andere buitenlandse troepen dienen zich zo ver mogelijk te houden van de stembureaus om beschuldigingen van beïnvloeding te voorkomen.Maar alleen al in Bagdad – waar dinsdag in 90 minuten vijf zelfmoordaanslagen werden gepleegd – zullen 35.000 man Amerikaanse troepen paraat zijn om een bloedbad te voorkomen. In Mosul is de Amerikaanse troepensterkte van 8.000 man tot 12.000 opgevoerd. Verder houdt iedereen zijn hart vast. Verkiezingsfunctionarissen worden nu al zwaar geïntimideerd door rebellen; de verkiezingsorganisatoren in de berucht gewelddadige provincie Al-Anbar werken in de clandestiniteit. In Falluja, het vroegere rebellenbolwerk dat eind vorig jaar in een groot Amerikaans offensief is geslecht, worden verkiezingen gehouden, aldus de plaatselijke Amerikaanse commandant, generaal John Sattler, woensdag. Maar waar de verkiezingsbureaus komen wordt tot het laatste moment geheim gehouden, zei hij.

Het is onwaarschijnlijk, maar misschien lukt het wel met een uiterste krachtsinspanning een bloedbad tijdens de verkiezingen te voorkomen. Maar dan barst het geweld de volgende dag wel weer los, of de dag daarop. De rebellen hebben geen reden hun strijd te staken. Het zijn geen opstandelingen met een leiderschap en een programma van eisen met wie over een vergelijk kan worden onderhandeld. Ze doden of worden gedood.

De Amerikanen hebben hun rooskleurige voorspellingen van vroeger allang bijgesteld. Niemand spreekt meer van een verkiezingsfeest of over een mijlpaal in de mars naar een Arabische voorbeelddemocratie. Het is maar een van drie verkiezingen die in de loop van dit jaar plaatshebben, bagatelliseerde het Witte Huis. ,,We maken ons allemaal zorgen over wat er gaat gebeuren na de verkiezingen'', erkende Colin Powell, nog net minister van Buitenlandse Zaken, afgelopen weekeinde.

Het is naar verhouding nog een optimistische uitspraak. De Iraakse minister van Binnenlandse Zaken, Falah Hassan al-Naqib, waarschuwde deze week voor een burgeroorlog als, zoals verwacht, de sunnitische minderheid massaal gehoor geeft aan de opdracht van de rebellen op 30 januari thuis te blijven. Dan, zo zei hij, komt er geen Nationale Assemblee die het Iraakse volk vertegenwoordigt. Dan ,,zal het Iraakse volk een burgeroorlog ingaan die het land zal verdelen.''

    • Carolien Roelants