Hollands dagboek

Afgelopen zaterdag ging een toneel-dansvoorstelling in première over Vaslav Nijinsky en Serge Diaghilev, sterdanser en impresario van het legendarische dansgezelschap Les Ballets Russes. Choreograaf Toer van Schaijk trok door Nederland voor repetities, try-outs en de première. `Om ons land te verwoesten is een tsunami niet nodig; dat kunnen we zelf wel.'

Woensdag 12 januari

Ons Nijinsky-Diaghilevteam is sinds een week neergestreken in Vlaardingen voor het houden van toneelrepetities. Ik heb hier mussen zien hippen, zomaar op straat! Mijn lievelingsvogeltjes, al vanaf mijn kindertijd, en ik mis ze deerlijk in Amsterdam. Niemand schijnt de precieze oorzaak van hun verdwijning te weten, maar ze ontbreken zozeer in het straatbeeld.

De Vlaardingse stadsgehoorzaal, zo te zien een bolwerk van vijftiger- of zestigerjaren theaterbouw, wekt bij mij herinneringen op aan mijn begintijd als danser bij het toenmalige `Nederlands Ballet', de busreizen – Sonja Gaskell voorin – naar kalme stadjes, de speurtochten, voor de voorstelling naar de plaatselijke Chinees.

Deze avond vond de eerste try-out plaats, met publiek. Een voorstelling die hoopgevend goed ontvangen werd door een muisstille zaal, die na afloop staand applaudisseerde.

En dat na een repetitie, eergisteren, die zo mat, zo sfeerloos verliep dat allen, spelers, dansers en staf in zak en as waren. Nu, na een voorstelling die spanning had, emotie, ondanks nog een paar kleine gebreken, is de stemming op de terugweg naar Amsterdam op het uitgelatene af. En dat in een minibusje met de rechtste stoelen en de hardste vering op het noordelijk halfrond. Er is wijn en, afkomstig van Saskia Temming (zij speel Nijinsky's vrouw Romola), een keur van kaassoorten, olijven en mediterrane worst.

Donderdag

De repetitieperiode is, zo gaat dat nu eenmaal, niet zonder problemen verlopen. Het eerste repetitielokaal, dat adverteerde als dansstudio, heeft door een veel te harde vloer bij de dansers zijn tol geëist. En mijn assistent Jean-Luc, die de dansers trainde en mij bij de instudering ter zijde stond, is al een week ziek.

De tweede try-out voorstelling is achter de rug, voor het Purmerendse publiek dat even ontvankelijk bleek. Zoals te verwachten grinnikend om Diaghilev (Michel van Dousselaere), die zijn afkeer van het zoet-romantische ballet `Le spectre de la rose' uit in een hopsig dansje, pom-pe-de-pom; bij mij dringen zich onvermijdelijk associaties op met kapitein Haddock in een jolige bui, wat de scène in mijn ogen nog maar net aanvaardbaar maakt.

Maar zoals ook in Vlaardingen is het publiek kennelijk onder de indruk van het monumentale slot: Nijinsky (Vincent Croiset) die zich voorgoed verschanst heeft in zijn waanzin, liggend in de armen van zijn vrouw Romola. Door allen verlaten, versteend in een piëtabeeld, in het verschiet van de dertig jaren van armoede en hoop die hun nog resten, waarin Romola hem zal slepen van inrichting naar inrichting, van therapie naar therapie, hem behoedend voor de vernietigingsdrang van de nazi's, tot zijn dood hen zal scheiden.

Als dertienjarige kwam ik thuis, vond mijn moeder in tranen. Ze had zojuist gelezen dat Nijinsky gestorven was.

Vanavond zat dertienjarige Joshua naast mij in de zaal. Hij is Jean-Lucs zoon, ik ben zijn peetvader.

`Ja hoor, ik vond het wel leuk', zegt hij.

Vrijdag

Derde en laatse try-out – morgen de première. Op weg naar Nieuwegein zit ons busje om drie uur 's middags al in de file. Tussen eindeloze molshopen, voor aan te leggen verkeersknooppunten en geluidswanden, schuiven we per keer drie meter op. Ik heb een grote hekel aan het zitten in stilstaande voertuigen, grenzend aan claustrofobie. Uit balorigheid, en om de tijd door te komen, ontstaat een haiku:

industrieparken,

verkeersaders

kijk, ze groeien;

mijn vaderland.

Om ons land te verwoesten is een tsunami niet nodig; dat kunnen we zelf wel. Nieuwegein lijkt me ook al geen plaats waar de bewoners sentimentele liedjes aan zullen wijden.

De voorstelling verloopt duidelijk matter dan de twee voorafgaande – het is een aanloop naar de officiële première morgen. Ik meen het te merken aan een ongewoon hoog speeltempo. Ook de pianist, Strawinsky (Kees Wieringa), lijkt erdoor te zijn aangestoken; de prélude à l'apres-midi d'un faune is aanmerkelijk sneller dan anders. Glukkig lijdt Nijinsky's choreografie, die in zijn `eenvoud' toch niet makkelijk is, er niet onder.

In de zaal deze keer wat ginnegappende jongeren, die toch langzamerhand doodstil worden. Ook geroerde en enthousiaste reacties na afloop. Tassy Schmid, met blossen op de wangen, lijkt zeer getroffen en geëmotioneerd. Ook verheugd natuurlijk: een vrije productie als deze, vrijwel ongesubsidieerd, is voor de producent geen sinecure.

Zaterdag

's Morgens lees ik – je wilt toch weten hoe anderen het doen – in de NRC het Hollands Dagboek van Michiel Lekkerkerker. Een sober reisverslag naar Banda Atjeh door één van de artsen zonder grenzen. En hoewel dit relaas op een afstand blijft van de tonelen van dood en verwoesting die televisie en kranten ons de laatste weken voorhielden, brengt het toch eens te meer het gevoel teweeg van leegte, de absurditeit van je dag na dag bezig te houden, ad nauseam of in grote opwinding, met een theaterstuk, een toneel-`spel'. Absurd als dat beeld; overlevenden in een platgewalste puinhoop die wezenloos zoeken naar hun verdwenen familie, terwijl in een restaurant honderd meter verderop mensen zitten te eten.

Schouwburg De Meerse in Hoofddorp blijkt gelukkig een wat ruimer toneel te bieden dan de drie vorige theaters. Ik heb er wel aan moeten wennen, aan die kleine tonelen die ik me herinner uit vroeger jaren.

's Avonds verloopt de première zeer goed, allen spelen, dansen, op hun topniveau. Voor een publiek dat niet zo verrassend stil is als bij de try-outs. Enkele dames blijven hardnekkig rochelen, hele woorden wegvagend.

Ik merk dat ik begin uit te zien naar favoriete momenten in het stuk. Logisch eigenlijk, zo vergaat het mij bij muziek of dans ook. Ik houd van de manier waarop Lifar (Benito Marcelino) zijn weergave van `Faune' voorbereidt, hij gaat dat ballet dansen voor de ogen van Nijinsky, de door hem zo vereerde schepper ervan. Hij kijkt hem aan, met een mysterieus mengsel van naïeve bewondering, verwachting. Een mysterie dat hij daarna, in zijn `Faune'-interpretatie, weet te behouden. Nog zo'n moment is de petroesjka-solo, het laatste dansonderdeel, door Massine (Jorit Ruijs) gedanst. Jorit heeft ooit een dansopleiding afgebroken om voor acteur te studeren, maar voor deze rol heeft hij zijn training weer opgenomen. Het heeft zijn vruchten afgeworpen, want hij geeft nu een Petroesjka-interpretatie die mij alleszins overtuigt.

Ik ben blij dat ik besloten heb om in dit toneelstuk het pakje van Russische Jan Klaassen, dat de rol eigenlijk vereist, weg te laten. Het blijkt me weer eens dat een kostuum afbreuk kan doen; in de summiere kleding, alleen een simpele zwarte broek, komt deze solo naar mijn mening veel sterker over.

Op deze avond laat Jorit zich zozeer door zijn rol meeslepen, dat ik één ogenblik bang ben, dat hij van het podium zal vallen.

Na afloop zijn er veel woorden van lof. Jules Croiset komt me hevig geëmotioneerd begroeten. Hij verzekert mij dat dit niets te maken heeft met de vertolking van de rol van Nijinsky door zijn zoon Vincent maar alles met de vermenging van dans en drama, de weergave van de Ballets Russes-periode, de schoonheid van het verhaal en de manier waarop het zich ontwikkelt in de taal van Pieter van de Waterbeemd.

Om middernacht zoektocht om het theater – het is vinnig koud geworden – naar het busje, en eindelijk naar huis.

Zondag

Een rustdag die goed begint, met een herhaalde uitzending op televisie – Vrije Geluiden met Andrew Manze en Richard Egarr; barokviool en klavecimbel. Ze spelen stukken van Biber, Bach, Pandolfi Mealli. Zeven jaar geleden, toen ik een choreografie ging maken op stukken van Pandolfi, hoopte ik dat ik Manze over zou kunnen halen om bij de voorstellingen te spelen. En hoewel hij zei dat het dolgraag had willen doen, was ik te laat – zoiets moet een jaar of twee tevoren al afgesproken zijn.

Zoals altijd geniet ik van hun samenspel, en van Manze's benadering, de levende vrijheid, barokmuziek als een zigeunerprimas gebracht.

Ik ga 's middags naar het atelier in Noord-Holland. Het is een stralende koude dag. Op de sloten ligt vliesijs, het kraakt zachtjes. Bij de storm, een paar weken geleden, is achter het huis een grote boom geveld. In zijn val heeft hij twee kleine boompjes meegenomen.

Het eind van een leven, een treurig gezicht. Treurig ook voor de spechten die hier in de lente hun nesten hakten. Ik zie ook op tegen het eindeloze zagen, om al dat elzenhout weg te ruimen.

Tegen de avond thuisgekomen, vind ik pas de fax die Rudi (van Dantzig) mij gisteren al heeft gestuurd, om me succes te wensen voor de eerste voorstelling van `Nijinsky'.

Maandag

Vandaag geen voorstelling – tijd voor een terugblik.

Een groepje mensen, artiesten in een wat verwaarloosde balletstudio in Parijs, ca. 1918. Het was een eerste beeld van dit stuk, een uitgangspunt. De mensen om Nijinsky heen, hopend op zijn komst, zijn terugkeer, een wachten op Godot.

Serge Diaghilev, Leonid Massine, Serge Lifar, Tamara Karsavina, Romola Nijinsky, Igor Strawinsky, Serge Grigoriev, het was een eerste `cast', Karsavina later vervangen door Nijinsky's zuster Bronislava, Grigoriev viel af.

Nijinsky zag ik in eerste opzet als een zwijgende rol, al geen deel meer van de verstandelijke wereld. Een figuur waar de anderen, harrewarrend, ruziënd, vol veronderstellingen of verwijten, redding van verwachten, een deus ex machina die wel verschijnt maar die geen verlossing brengt, een god van de dans die zich van de dans, en van de mens, heeft afgekeerd.

Ik probeer me te herinneren hoe het begon, twee jaar geleden. Tassy Schmid, producente en impresario die me benaderde met het idee om een dansstuk te maken over Nijinsky voor het `St. Petersburg male ballet', een groep Russische dansers die zowel vrouwen- als mannenrollen dansen.

Uit mijn gebrek aan interesse voor dat project ontstond toen de gedachtegang die geleid heeft tot de voorstellingen waar wij nu mee bezig zijn. Tassy zag aanvankelijk een groot aantal balletfragmenten voor zich, in spectaculaire Ballets Russes-kostuums. Aan dit aantal begon getornd te worden toen het project literaire vorm kreeg, in de handen van Pieter van de Waterbeemd. Nijinsky werd een actieve acteursrol, de handeling spitste zich toe op de confrontatie Nijinsky, Diaghilev, Romola. Logischerwijze kreeg de dans meer een ondersteunende taak.

Al heb ik in het verleden al een paar keer samengewerkt met Hans Croiset als regisseur, het bleek mij dat er een groter verschil is tussen het uitgangspunt van toneelregisseurs en choreografen dan ik veronderstelde. Ik word door Peter Baan enkele malen teruggefloten als ik aan wil geven hoe mensen uit de danswereld zich zouden gedragen in bepaalde situaties. Theorie is dat de situaties, het gedrag, vanuit de tekstinhoud moeten worden benaderd, dat vandaaruit de vorm moet ontstaan, terwijl in mijn ogen vorm en inhoud van de aanvang af verbonden kunnen zijn. Bovendien gaat het in dit geval niet om figuren uit het dagelijks leven, maar om Russische dansers, theatrale persoonlijkheden, gewend om hun emoties lichamelijk te uiten.

Maar de toneelwetten stellen hun eigen eisen. Zo is Diaghilev, een man toch die correspondeerde met Tsjechov, Tolstoi, een kunst- en muziekkenner, een minder subtiele figuur geworden dan ik me hem voorstel, Romola minder bescheiden, Bronislava niet zo excentriek als ze geweest moet zijn... en Nijinsky?

Wil je elke figuur zo hebben als je je voorstelde, moet je 't stuk dan zelf schrijven, regisseren? Maar Pieters vaak mooie dialogen had ik niet kunnen evenaren, in Peters regie zitten vondsten waar ik niet op zou zijn gekomen.

En het is zo toch een voorstelling geworden waar ik met spanning naar kan kijken.

Dinsdag

's Morgens belt Rudi: kijk snel, TV5, prachtige documentaire over Chagall! Hij attendeert me zo wel vaker op uitzendingen. Er zijn nu dan ook prachtige dingen te zien, werk van Chagall dat ik nooit eerder gezien had, teruggevonden in Moskouse theaters, het plafond in de Parijse opera krijg je nooit van zo dichtbij te zien.

Fascinerende opnames van allang gestorven kunstenaars, levend, lachend en pratend. En plotseling, ziedaar Leonid Massine, één van zijn grappige jazzy dansjes demonstrerend, in een keurig licht pak.

Veel mooie uitspraken van Chagall zelf, in zijn mooie Frans van Russische émigré, mooier dan dat van de Fransen zelf. Zo spreken bij ons geïntegreerde Marokkanen vaak een beter Nederlands dan wij.

Woensdag 19 januari

Bekijk 's ochtends na jaren opnieuw `Nijinsky, a life', documentaire van Donia Feuer uit 1977. Maandenlang geprobeerd die te achterhalen. Het leek me belangrijk die te zien, voor schrijver, regisseur, acteurs. Heb hem nu pas in handen, te laat dus. In deze spreekt Romola, die toen nog leefde, over haar herinneringen.

Ik kijk naar haar oude gezicht, probeer mij in te denken dat zij Nijinsky intiem kende, in haar armen hield, naast hem sliep. Is hij voor haar altijd een gewoon mens gebleven, niet de mythe die hij is voor ons, anderen?

Verschillende keren is me gevraagd, de laatste tijd: `Wat maakt Nijinsky in uw ogen zo bijzonder?', een vraag die ik mijzelf nooit eerder stelde, want Nijinsky wás er gewoon in mijn leven. Even moeilijk te verklaren wat er bijzonder is aan een blauwe hemel, of de zang van een merel.

Wat hem een mythe maakt is dat we hem alleen kennen van foto's, als een, in mijn ogen, buitengewoon mooi mens; alle beschrijvingen door tijdgenoten als een onvergelijkelijke danser – iets wat wij nooit zullen verifiëren noch ontkennen, omdat er nooit een filmopname van hem is gemaakt. Er is de tragiek van zijn korte carrière – zoals Kathleen Ferrier – en van zijn vlucht in de waanzin. En er is zijn journaal, dat geen journaal is – hij beschrijft het zelf als een te publiceren boek. En verder raadsels en tegenstellingen. Volgens Strawinsky een muzikale analfabeet, volgens Bronislava een uitstekende pianist. Romola beweert dat ze de eerste huwelijksjaren niet met haar man kon spreken bij gebrek aan een gemeenschappelijke taal; volgens het tijdschrijft Comoedia kon hij zich uitstekend in het Frans uitdrukken.

Maar zijn mythe leeft, hij blijft tot de verbeelding spreken, zijn naam blijft opduiken, meer dan die van Anna Pavlova, of Diaghilev. In mijn jonge jaren heb ik mensen uit zijn omgeving gekend, gewerkt onder leiding van Massine, Grigoriev en Tsjernisjova meegemaakt, de originele `Vuurvogel'-ontwerpen van Gontsjarova gekopieerd, Marie Rambert, Nijinsky's assistente bij de `Sacre' gesproken. En verdomme, te timide geweest om hen uit te vragen: hoe was hij? Onvergeeflijk.

Bevreemdende telefoontjes met de pr-afdeling van het Diaghilev-festival in Groningen. Maanden geleden werd me verzocht deel te nemen aan een inleidend forum, als kenner van de Ballets Russes-periode. Word opgebeld door een mevrouw Algra. Uit het gesprek blijkt ineens dat men van mij op Vincent Croiset – hij speelt Nijinsky – is overgestapt. Aan mijn kant enige verbazing: wat hij weet van Les Ballets Russes, weet hij van mij. Enige gêne aan de andere kant van de lijn: wist u dat niet? Ben u daar niet over gebeld? Neen, daar ben ik niet over gebeld, moest ik zelf uitvinden.

Voorstelling in Breda, mooi nieuw theater. Voor het eerst kan mijn decor in zijn geheel op het toneel staan. Warme begroeting door lieve Alexandra (zij is Bronislava), ook voor Jean-Luc, die na z'n ziekte voor het eerst meeging.

Dansen gaan steeds beter; toch nog een paar correcties onthouden.

Als 13-jarige vond ik mijn moeder in tranen. Ze had zojuist gelezen dat Nijinsky gestorven was

    • Toer van Schaijk