Hoe Donald Rumsfeld de Verenigde Staten opzadelt met het Irak-syndroom

De Amerikanen leken net het Vietnam-syndroom achter zich te hebben laten, maar onder minister van Defensie Donald Rumsfeld ontwikkelt zich een nog zwaarder Irak-syndroom: de verlammende overtuiging dat grootschalig Amerikaans militair ingrijpen in het buitenland steevast uitmondt in een mislukking.

Zoals Vietnam de oorlog werd van McNamara, is Irak de oorlog van Rumsfeld geworden.

Van begin af aan heeft minister van Defensie Donald Rumsfeld zich bemoeid met vrijwel elk aspect van de campagne – van de militaire strategie tot de naoorlogse planning – met als argument dat een van de voordelen van zo'n centraal toezicht de heldere verantwoordelijkheid was.

Nu wordt hij dan ook verantwoordelijk gesteld en de aanklacht liegt er niet om:

Afwijzing van het advies van een topgeneraal inzake de vereiste troepensterkte om de orde in het naoorlogse Irak te herstellen.

Verwerping van het advies van Buitenlandse Zaken aangaande de naoorlogse wederopbouw.

Geen besef van de ernst van de plunderingen en de chaos uit het begin.

Steun aan de ontbinding van het Iraakse leger, ongeacht de vermoedelijke gevolgen wanneer duizenden gewapende en boze militairen zonder werk op straat komen te staan.

Vragen om een pr-ramp door het oorlogsrecht te ontduiken om gevangenen gemakkelijker eindeloos te kunnen vasthouden en van tijd tot tijd te kunnen martelen.

Rumsfeld kan zich niet beklagen dat hij het slachtoffer is van slechte adviezen, want het enige advies waar hij op af lijkt te gaan is dat van hemzelf. Dit is een van de redenen dat een vergelijking met minister van Defensie Robert McNamara onder president Lyndon B. Johnson zo treffend en verhelderend is. Zoals McNamara het `Vietnam-syndroom' heeft nagelaten, zo zou de erfenis van Rumsfeld bij zijn vertrek een `Irak-syndroom' kunnen zijn. McNamara en Rumsfeld hebben een aantal trekken gemeen: met betrekking tot de defensiebegroting stonden beiden argwanend tegenover militair advies, want dat begunstigde volgens hen, uit institutionele en strategische overwegingen, bepaalde wapenprogramma's. Beiden lieten hun wantrouwen in de operaties doorwerken en werden daarom beschuldigd van arrogantie. Luchtmachtgeneraal Thomas White sprak smalend van een ,,boom vol pijprokende uilen'', als hij het had over de `defensie-intellectuelen' op het Pentagon van McNamara, en min of meer even misprijzend laten militairen zich op dit moment uit over de intellectuelen rond Rumsfeld.

Het is ironisch dat de Amerikaanse interventionisten, onder wie die rond Rumsfeld, zich al dertig jaar proberen te ontworstelen aan het Vietnam-syndroom en aan de bijbehorende afkeer om betrokken te raken bij overzeese oorlogen. En net nu zij lijken te triomferen, na een oorlog waarin ze door het merendeel van de Amerikanen worden gesteund, hebben deze interventionisten veel te vrezen. Dat komt doordat Rumsfeld een nog zwaarder Irak-syndroom zal nalaten: de hernieuwde, knagende en nu en dan verlammende overtuiging dat elk grootschalig Amerikaans militair ingrijpen in het buitenland steevast uitmondt in een praktische mislukking en twijfels over de morele rechtvaardiging.

Twee dagen voor het einde van de Golfoorlog van 1991 maakte president Bush senior een dagboeknotitie: ,,Het is verbazend hoe vaak ik stilsta bij het einde van het Vietnam-syndroom.'' Voor hem en anderen die dit syndroom beschouwden als een belemmering voor het Amerikaanse buitenland- en defensiebeleid, was de beste remedie te laten zien dat de VS geweld doelmatig hadden leren gebruiken. Nadat de Amerikaanse strijdkrachten het leger van Saddam Hussein dat Koeweit was binnengevallen, dit land hadden uitgezet, zei de president:,,Nu hebben we het Vietnam-syndroom voor eens en voor altijd van ons afgeschud.''

De interventionisten in de regering van Bush junior hadden zich geen betere proeftuin kunnen wensen dan een nieuwe oorlog in Irak. Zij zouden laten zien dat de Verenigde Staten niet alleen vaardig een derderangs leger zouden wegvagen, maar ook dat hun militaire macht een land kon omvormen, en niet alleen in bedwang houden.

Maar inmiddels belooft de huidige strategie hoogstens een dreigende toestand binnen de perken te houden, in de hoop dat de vijand eerder uitgeput zal raken dan het Amerikaanse volk. In het ergste geval zullen de Verenigde Staten zich misschien moeten terugtrekken uit een land waar een burgeroorlog woedt en dat een toevluchtsoord voor terroristen is. Dan zal er een nieuwe norm zijn gesteld voor debacles in het buitenlands beleid, altijd aan te halen als het beste argument voor behoedzaamheid wanneer het gebruik van geweld wordt overwogen.

Anders dan Vietnam, een indammingsoorlog, moest Irak doorgaan voor een preventieve oorlog, iets wat de Amerikaanse politiek nog ernstiger op de proef stelt. Want niet alleen rijst de vraag of de interventie wel verstandig was, maar ook ontstaat twijfel over de integriteit van de inlichtingendiensten en over het oordeel omtrent directe dreigingen voor de nationale veiligheid van de Verenigde Staten.

Vooral schadelijk is de aantijging dat de regering-Bush de fundamentele les van Vietnam heeft veronachtzaamd. McNamara werd aangevallen omdat hij verzuimde ook maar één militaire campagne aan de generaals over te laten. De conservatieve kritiek gaat nog een stap verder: in plaats van de wrede maar dwingende logica van de vernietigende overmacht te accepteren, stelde McNamara een ongerechtvaardigd vertrouwen in verheven academische begrippen als de `getrapte reactie'.

Maar ditmaal is Rumsfeld de opperbemoeial. Zoals Thomas White – in mei 2003 als onderminister van Landmacht door Rumsfeld ontslagen – zich in augustus in een tv-interview beklaagde, is Rumsfeld een ,,overheersende micromanager die soms intimiderend en bijna grof is. Hij verstikt vaak de communicatie en houdt zich veel te veel bezig met dingen die hij zou moeten delegeren.''

Maar wat zou de rol van de minister van Defensie dan wel moeten zijn? In Supreme Command, verschenen vlak voor de oorlog met Irak, zette Eliot Cohen, lid van Rumsfelds Raad voor het Defensiebeleid, vraagtekens bij een opvatting die na Vietnam is ontstaan: zodra burgerleiders hun doelstellingen hebben bepaald, moeten zij de beste manier om deze te verwezenlijken, laten uitwerken door de beroepsmilitairen. Cohen stelde dat voor een succesvolle oorlogvoering burgerleiders nodig zijn die bereid zijn militaire oordelen in twijfel te trekken. Dat was verfrissend voor burgerinterventionisten, want in de jaren negentig waren het de militairen, veelal Vietnam-veteranen als minister Colin Powell van Buitenlandse Zaken, die zich wel tweemaal bedachten voordat ze Amerikaanse soldaten een oorlog in stuurden.

Maar het beginsel van een burgeraandeel in operationele beslissingen hoort helemaal niet omstreden te zijn. Als het dat geworden is, komt dat doordat de betrekkingen tussen burgers en militairen een vijandig karakter hebben gekregen om redenen die dieper gaan dan Irak.

In de Koude Oorlog vond de regering-Kennedy de militaire opvattingen roekeloos en warrig. Iedere maatregel die niet neerkwam op een invasie van Cuba werd, tijdens de Cubaanse raketcrisis van 1962, door de generaals van JFK gelijkgesteld aan appeasement. Bij de burgers bestond de indruk dat de generaals liever geen verantwoordelijkheid wilden nemen voor militaire acties en daarom altijd met van die starre alternatieven kwamen: ofwel het gebruik van enorm geweld, ofwel helemaal niets. Toen Kennedy aandrong op een subtielere campagne tegen de opstandelingen in Vietnam, zagen de generaals weinig heil in een hearts and minds-campagne en vielen zij als het even kon terug op search and destroy.

Na Vietnam hield het leger zich zo ver mogelijk weg van operaties die afhingen van de steun van de plaatselijke bevolking en drong het erop aan om in toekomstige oorlogen alleen een vernietigende overmacht in te zetten. De Golfoorlog van 1991 werd opgevat als een bevestiging van deze benadering. De pijnlijke aftocht uit Beiroet in 1984 en die uit Somalië tien jaar later werden beschouwd als een uitvloeisel van de stommiteit om bij een rommelige burgeroorlog betrokken te raken. Ze sterkten de opvatting dat de steun van het volk het best behouden kon worden als er zo min mogelijk soldaten sneuvelden, zodat bescherming van de strijdmacht de eerste prioriteit werd.

Toen Rumsfeld het Pentagon overnam, stond hij niet afwijzend tegenover de terughoudendheid om betrokken te worden bij nation building, maar hij was nog altijd wel boos. Tijdens zijn eerste termijn als minister van Defensie, onder president Gerald Ford, was hij al vroeg een aanhanger van de `revolutie op militair terrein', waarbij hij nieuwe informatietechnieken probeerde te combineren met precisiemunitie om zo een voorsprong te verwerven in de gewone oorlogvoering. Hij ontdekte tot zijn ontzetting dat de strijdkrachten nog altijd gericht waren op de voorbereiding voor grote oorlogen en op de aanschaf van spraakmakende wapensystemen, in plaats van op de ontwikkeling van kleine, wendbare troepenmachten, toegespitst op de feitelijke eventualiteiten waarmee ze volgens hem vermoedelijk te maken zouden krijgen.

Hierdoor kwam hij in botsing met de generaals. Rumsfeld volgde zijn intuïtie en kon in de oorlogen in Afghanistan en Irak aanvankelijk zijn gelijk opeisen, maar in beide gevallen kwamen er problemen toen die oorlogen een ongeregelder karakter kregen. In Afghanistan wist een groot deel van de leiding van Al-Qaeda te ontsnappen, met inbegrip van Osama bin Laden, en in Irak maakte een snelle bezetting plaats voor een langdurige en bloedige opstand.

Meer troepen ter plaatse zouden hebben geholpen. Van Rumsfelds onderminister Paul Wolfowitz is de befaamde uitspraak dat hij zich ,,moeilijk kon voorstellen'' dat het ,,meer troepen zou vergen om in het Irak na Saddam voor stabiliteit te zorgen dan om de oorlog zelf te voeren''. Hij vergiste zich deerlijk. Hij en Rumsfeld slikten de beweringen dat het Iraakse volk de Amerikanen als bevrijders zou begroeten en betoonden zich opmerkelijk onvoorzichtig omtrent de mogelijkheid dat de inval averechts zou uitwerken.

De fout van Rumsfeld was niet zozeer dat hij bereid was tegen militaire opvattingen in te gaan als wel dat hij de verkeerde vragen stelde. Het is zeker niet zo dat in Irak alles in orde zou zijn geweest als de militaire adviezen maar waren opgevolgd. De schuld ligt ook bij het Amerikaanse leger, dat zich alleen wenst voor te bereiden op de oorlog van zijn voorkeur en niet op een oorlog die het misschien noodgedwongen moet voeren.

Het tekort aan troepen heeft een probleem verergerd waarvan de wortels dieper reikten. De Amerikaanse militaire opleiding en doctrine boden een geringe voorbereiding op de eisen van de ongeregelde oorlog en op het belang om stil te staan bij de lokale politieke gevolgen van militair ingrijpen. In plaats daarvan waren het de binnenlandse politieke gevolgen van Amerikaanse slachtoffers die bepaalden dat de bescherming van de strijdmacht zo'n prioriteit kreeg, en dit leidde weer tot een hooghartige houding tegenover Iraakse slachtoffers.

De Amerikaanse problemen zijn begonnen doordat de Amerikaanse troepen bij de bevrijding van het Iraakse volk veel te veel Irakezen hebben gedood. Gevoegd bij Abu Ghraib en de neiging van Rumsfeld om achteloos – op zo'n manier van `die dingen gebeuren' – elke kritiek op de groeiende chaos in Irak te verwerpen, is het niet verbazend dat de Arabische scepsis omtrent de Amerikaanse bedoelingen is toegenomen.

Irak is geen experiment dat toekomstige Amerikaanse regeringen graag zullen herhalen. Voorlopig is zelfs deze regering niet in staat het te herhalen, want er zijn geen grondtroepen meer over voor grote campagnes elders. Als het niet mogelijk blijkt de rebellen onder de duim te krijgen, zullen de Verenigde Staten verzwakt uit een mislukte oorlog komen.

Het vertrouwen in de Amerikaanse macht, dat leidde tot een oorlog zonder directe provocatie, heeft een deuk opgelopen. Als het mogelijk gebruik van geweld nog eens wordt geopperd, zal de verzekering worden gevraagd dat dit geen `nieuw Irak' gaat worden. En de interventionisten van de toekomst zullen zich bezorgd afvragen hoe ze van het Irak-syndroom af moeten komen.

Hoogleraar krijgskunde aan het King's College in Londen en auteur van het boek `Kennedy's Wars: Berlin, Cuba, Laos, and Vietnam'.

© LAT/WP

    • Lawrence Freedman