De culturele waarde van een aanlegsteiger

Nederland telt eindeloos veel subsidieregelingen, fondsen en potjes ter ondersteuning van bijzondere projecten. Vandaag: boerderijstoepen in de Alblasserwaard.

Je moet van hun bestaan weten, anders zie je de oude boerderijstoepen langs het riviertje de Graafstroom in de Alblasserwaard gemakkelijk over het hoofd. Sommige stoepen een soort aanlegsteigertjes zijn nauwelijks zichtbaar tussen het riet, andere zijn gebroken en worden gestut met bakstenen. Weer andere zijn zodanig verzakt dat ze half onder water verdwenen zijn. Sinds de stoepen door de bewoners van de boerderijen niet meer gebruikt worden als wasplaats, plek om een boot af te meren of om melkbussen neer te zetten, zijn ze in verval geraakt.

Toch zijn er dankzij de Historische Vereniging Binnenwaard weer een aantal gave exemplaren te zien in de zeven kerkdorpen die samen de gemeente Graafstroom vormen. ,,Ooit lag er bij elke boerderij en een enkele keer bij een normale woning zo'n stoep van hout of steen in het water'', vertelt Rien Brandwijk, bestuurslid van de Historische Vereniging Binnenwaard. ,,Maar met de komst van wasmachines en stromend water en met het verdwijnen van de melkbus verloren ze hun functie.'' De genadeklap kwam in de jaren zestig en zeventig, toen de walkanten van de Graafstroom werden opgeknapt en veel stoepen werden weggehaald omdat ze toch geen nut meer hadden.

Twee jaar geleden nam de historische vereniging het initiatief om de circa 130 nog aanwezige boerderijstoepen in de regio op te knappen, ,,om deze kenmerkende objecten met cultuurhistorische waarde te bewaren voor het nageslacht''. Het project kon van start dankzij een donatie van 2.765 euro van de Rabobank Graafstroom. Kort daarna adopteerde de gemeente een stoep. Het restauratieproject begon in de dorpen Brandwijk en Molenaarsgraaf, omdat daar de stoepen het meest in het zicht liggen. Vorig jaar kwamen Goudriaan en Ottoland aan de beurt en dit jaar richt de Historische Vereniging haar blik op Bleskensgraaf en Oud-Alblas.

De historische vereniging heeft in die tijd heel wat fondsen weten aan te boren, vertelt Brandwijk. Zo gaf de provincie Zuid-Holland 10.000 euro subsidie. De ANWB schonk 5.000 euro omdat de boerderijstoepen voor kanoërs, vissers en schaatsers een recreatieve functie kunnen hebben. En een knotploeg van de stichting Landschapsbeheer Alblasserwaard doneerde 4.000 euro die was verdiend met het knotten van wilgen en de verkoop van hout. De Koninklijke Nederlandsche Heidemaatschappij (KNMH) ten slotte subsidieerde de restauratie met 10.000 euro.

De KNHM, in 1888 opgericht voor het ontwikkelen van landbouwgronden, het herbebossen van zandgronden en het verbeteren van werkgelegenheid, is tegenwoordig een ideële organisatie die ,,een positieve bijdrage wil leveren aan de kwaliteit van de leefomgeving''. En dat is precies waarom de KNMH het stoepenproject eenmalig ondersteunt, volgens Siem Smit, secretaris van de afdeling Zuid-Holland van de KNMH en oud-projectmanager bij Arcadis. De KNHM steunt zo'n 75 projecten voor in totaal circa 1,5 miljoen euro per jaar. Dit geld is voor een groot deel afkomstig uit het dividend dat de KNMH als aandeelhouder van het bedrijf Arcadis (de voormalige Heidemij) ontvangt.

Toch zijn alle subsidies samen lang niet genoeg om alle stoepen te restaureren, rekent Brandwijk van de Historische Vereniging voor. ,,Het opknappen van een stoep kost gemiddeld 750 euro. Maar als ze erg verzakt zijn, en dat is vaak het geval, moet de hele stoep met een kraan uit het water worden gelicht zodat er een nieuw fundament onder gelegd kan worden. Dat kost al gauw 2.000 euro.'' Er zijn tot nu toe tweeëntwintig stoepen gerestaureerd. Nog ruim honderd te gaan dus. Brandwijk: ,,Dat geld kunnen we niet opbrengen als vereniging met zevenhonderd leden die ieder 13,50 euro contributie per jaar betalen.''

De kosten worden gedrukt doordat de historische vereniging voorrang geeft aan de in het zicht liggende stoepen. Daar staat tegenover dat de restauratiewerkzaamheden gaandeweg zijn uitgebreid naar stoephokken (overdekte stoepen), stookhokken (waar waswater werd gekookt) en andere kleine monumenten, zoals waterinlaten. Particulieren die zelf hun boerderijstoep opknappen, zijn er tot nu toe maar mondjesmaat geweest. Dat komt, legt Brandwijk uit, doordat de stoepen formeel geen eigendom meer zijn van de bewoner van de boerderij waar ze bij liggen. ,,Ze zijn in handen van het Hoogheemraadschap, dat de walkanten beheert.'' Eind volgend jaar moet het restauratieproject klaar zijn. Brandwijk: ,,We zien wel hoe ver we dan zijn. Alle 130 stoepen restaureren in vier jaar zal niet lukken, maar het is geen ramp als het project even stilligt.''

Dit is het laatste deel van een serie over bijzondere fondsen, subsidies en potjes. Volgende week: de financiële huishouding van minima.

    • Friederike de Raat