Buitenspel in Amsterdam

De kans dat spelende kinderen elkaar in Amsterdam op straat treffen is sinds de jaren '50 sterk afgenomen.

OP DE VOORPAGINA van het boek `Stadskinderen' prijkt een foto van Eva Besnyö. Op een door woningen omgeven betegeld speelplaatsje, afgebakend met een betonnen schutting, speelt een grote kluwen kinderen van allerlei leeftijden op en rond een groot halfrond klimrek. Dat was buitenspelen in Amsterdam in de jaren '50. Hoe het buitenspelen anno nu eruit ziet is te zien op de achterpagina van het boek, op een foto van Gudy Rooijakkers: een meisje speelt verstoppertje tussen de auto's in de straat.

De beelden geven de essentie weer van het onderzoek van cultureel antropoloog Carolien Bouw, werkzaam bij SISWO/Social Policy Research, en sociaal-geograaf Lia Karsten, universitair hoofddocent aan de Universiteit van Amsterdam. Middels observaties en interviews met de kinderen van toen (inmiddels vijftigers) en de kinderen van nu brachten zij de veranderingen in de kindertijd in beeld in drie straten in drie verschillende Amsterdamse buurten: de Indische buurt (verkleurde lagere statusbuurt), Tuindorp Nieuwendam (witte lagere statusbuurt) en het Museumkwartier (hogere witte statusbuurt).

Tijdens hun onderzoek waren de onderzoekers beducht voor twee valkuilen. Enerzijds de kinderen die iets of `leuk' of `stom' vinden en die als je vraagt waar ze spelen antwoorden `nou gewoon, buiten of binnen'. Bouw: ``Daarom moet je iets met ze gaan doen, een wandeling door de buurt, een rondleiding door het huis. Dan vertellen ze.'' Anderzijds was er de valkuil van de romantiek: de volwassenen die hun kindertijd idealiseren. Karsten: ``Wat je je herinnert is niet de verveling, maar juist de leuke dingen. Daarom hebben we ook historische cijfers achterhaald om grote lijnen en belangrijke trends te kunnen weergeven.''

De onderzoekers concluderen dat het kinderspel van buiten naar binnen verschuift. Bouw: ``Spelen wás vroeger buitenspelen. Nu is het meer een op zichzelf staande activiteit geworden, op een daarvoor bestemde plek. Tijdens een bezoekje aan Artis bijvoorbeeld.'' Aan deze trend liggen verschillende redenen ten grondslag. Het aantal kinderen (van 0 tot 12 jaar) is, vooral tussen 1950 en 1975, sterk afgenomen. De kans dat kinderen elkaar spontaan treffen is daardoor een stuk kleiner geworden. En daarmee is een groot deel van de aantrekkingskracht van het buitenspelen verloren gegaan.

Daarnaast durven ouders hun (jonge) kinderen niet `zomaar' naar buiten te laten gaan. Ze zien meer gevaren. In de Indische buurt zijn het junks, in het Museumkwartier het verkeer. In het Amsterdam van 1950 waren er ruwweg tien keer zoveel kinderen als auto's (189.245 kinderen tegenover 16.143 auto's). In 2000 waren er ruwweg twee keer zoveel auto's als kinderen (102.742 kinderen tegenover 227.540 auto's). Het straatbeeld is ook veranderd door het verdwijnen van buurtwinkeltjes, de bakker met zijn kar, de schillenboer. Bouw: ``Al die verschillende ogen zijn verdwenen. Ouders zijn nu de enige toezichthouders geworden op straat.'' Tot slot is binnenspelen nu makkelijker omdat de gezinnen in het algemeen kleiner zijn, met veel kinderen is er binnen minder ruimte.

Bouw en Karsten ontdekten dat binnen de stad een enorme diversiteit bestaat in de levens die kinderen leiden. In Tuindorp speelt het leven van kinderen zich nog steeds voor een groot deel af op straat. In het welgestelde Museumkwartier gaan kinderen overwegend niet zomaar de straat op. Ze spelen veel binnen, spreken af met klasgenootjes en ondernemen samen met hen activiteiten. Dat gebeurt allemaal onder begeleiding van ouders, die hier veel meer dan in Tuindorp, de regie voeren over het leven van hun kinderen. Die strakke regie troffen Bouw en Karsten ook aan bij een deel van de ouders in multiculturele Indische buurt. Hiermee halen ze het vooroordeel dat alle migrantenkinderen altijd maar op straat spelen onderuit. Er is diversiteit. In de Indische buurt wonen grofweg twee typen gezinnen: ambitieuze allochtone tweeverdieners met kleine gezinnen (twee à drie kinderen) en `traditionele' allochtone gezinnen met veel kinderen. De ambitieuze allochtone ouders – ambitie loopt dwars door alle etniciteiten heen – definiëren de straat als het domein van de kinderen die niet willen deugen en houden hun kinderen daarom binnen. Voor hen is school heel belangrijk, want daarmee kom je vooruit. Daar doet het hele gezin zijn best voor.

In dezelfde straat zitten kinderen vaak op verschillende scholen. Interessant is dat dit vroeger ook al zo was: toen ging ieder kind naar de school van zijn zuil. Maar die scheidslijnen werden na schooltijd doorbroken: in de stad speelden katholieken gewoon met protestanten uit dezelfde straat. Doordat de sterke straatcultuur van toen verdwenen is, zijn kinderen van nu veel minder in staat de hedendaagse scheidslijnen te doorbreken. Met andere woorden: buitenspelen bevorderen kan een middel zijn om de integratie te bevorderen.

Wat de onderzoekers ook ontdekten was dat de actieradius van de kinderen van toen en van nu enorm verschilt. Voor de kinderen van toen in het Museumkwartier was het Vondelpark een speelplek waar ze zelfstandig naar toe mochten. Nu is dat een plek waar ze onder begeleiding van ouders naar toe gaan. De bezorgde ouders van nu zien volgens de onderzoekers vooral het kwetsbare kind, terwijl ouders in het verleden meer oog hadden voor het weerbare kind: `daar word je groot van'. Bouw: ``Een respondent vertelde hoe hij in de jaren vijftig met een hele club kinderen ging spelen in het Vondelpark. Toen ze weer thuis kwamen bleek dat er één kind ontbrak. Nu zouden ouders meteen alarm slaan, maar toen werden de kinderen gesommeerd om terug te gaan en dat ene kind te gaan zoeken.''

Desondanks heeft de straat zijn aantrekkingskracht voor kinderen niet verloren. Karsten: ``Auto's zijn de vijanden van kinderen, maar je kunt er ook verstoppertje achter doen. Dat geeft de vitaliteit van kinderen weer. Maar je moet wel een handje helpen. Als je als stad de middenklasse, waarvan driekwart kinderen krijgt, binnen je grenzen wil houden, dan moet je ervoor zorgen dat zij er uit de voeten kunnen. Bij de stedelijke beleidsmakers begint dit besef langzaam door te dringen.''