Wie niet gezien wordt, is foetsie

Woord versus beeld, dat is dit jaar het thema van literatuurfestival Winternachten. Volgens schrijver Henk van Woerden trekken de iconenmakers aan het langste eind: het verhalende beeld is de gemene deler geworden.

Beeldterreur: ik blijf erbij dat er zoiets bestaat. De digitale media, videoregistratie en camerabewaking, de film en de beeldbuis, alles wat zo aardig communicatietechnologie heet, inclusief de kwakende en tegelijk spiedende mobiele telefoon: de macht van de afbeelding is alleen maar toegenomen. Het scherm triomfeert, want het scherm lijkt erg natuurgetrouw. Het taalbegrip van de schermmens – sta me toe het te zeggen – is intussen teruggevallen naar het niveau van een begaafde baviaan. Is dit proces onomkeerbaar, vraag ik me af. En hoe is het precies in zijn werk gegaan?

Voor een bepaald merk witte suiker, gezuiverd uit riet, gold in mijn tropische kinderjaren de aanbeveling `hygiënisch' en `machinaal vervaardigd'. Dit werd met trots op het pak vermeld: `onaangeraakt door de menselijke hand'. Voor enkele kunstwerken gaat hetzelfde op en dat is de sleutel tot wat je hun waarachtigheid zou willen noemen. Er zijn schilderijen die de indruk wekken dat ze zonder tussenkomst van de maker zijn ontstaan. Ik bedoel daarmee niet zozeer mechanisch, maar smetteloos, onaangeroerd. Alsof de kunstenaar de opperste onpartijdigheid nastreefde, de strikte neutraliteit van een natuurproces. Vermeer is misschien het prangendste voorbeeld. De Hollandse meester lanceerde voor het eerst de idee dat je een zomeravond gewoonweg voor zichzelf kan laten spreken. Met wonderlijke gevolgen. `Ik weet nu dat ik het mooiste schilderij ter wereld heb gezien', noteerde Marcel Proust in 1902, nadat hij in het Haagse Mauritshuis het Gezicht op Delft onder ogen kreeg. Twee decennia later stond de schrijver opnieuw voor het doek en merkte aan de rechterkant een zonverlicht muurtje op, een `petit pan de mur jaune'. Het gele vlekje muur kwam in het laatste deel van de roman Op zoek naar de verloren tijd terecht, als voorteken van het naderende slot. Proust kreeg tijdens zijn museumbezoek last van duizelingen, wordt beweerd, hij keerde terug naar huis en verliet nooit meer zijn appartement.

Maar het is me hier minder om de particuliere literaire associatie te doen dan om die duizelingen. Een paar keer per jaar zoek ik het schilderij weer op en voel de onmacht die Vermeer ons gemeenschappelijk heeft bezorgd. Want wat betekent een simpel stadslandschap eigenlijk, die kade, de huizen, deze doodgewone halfbewolkte lucht? Wat me ongerust maakt, sterker: waar ik nog steeds van schrik, is Vermeers afzijdigheid. De ongelooflijke reserve die hij aan de dag legt. Noem het de kaalte van zijn oog. Voor het eerst met het blote oog gemaakt, gezien en niet verzonnen. Hygiënisch, onaangetast door de menselijke ziel. Het Gezicht op Delft is een huiveringwekkend onbekommerd kunstwerk.

Het rare is dat dit beeld het eenvoudigst uit te leggen is aan de hand van wat het niet wil zijn. Het is geen religieuze voorstelling. Het ligt overduidelijk niet in de bedoeling dat we er door in vervoering raken of er iets van opsteken. Het brengt geen herkenbare geloofsartikelen of moraal in stelling en van een allegorie is al evenmin sprake. Het omgekeerde kan ook niet worden gezegd: er wordt geen lans gebroken voor het ongeloof, het is geen `romantische' of `revolutionaire' beeltenis. Een pleidooi voor idealisme, voor een onstuimig ideeëngoed dat alles in zijn kielzog zal meesleuren, zelfs daar kan ik mee leven. Dit is in Gezicht op Delft niet terug te vinden. Nee, het doek blijft trouw aan zijn titel. Een Gezicht. Een doorkijkje op de wereld waaraan zich weliswaar persoonlijke sentimenten zullen hechten, dat zeker. Het werk biedt daarvoor de juiste leegte, een vaartuig dat speciaal voor het transport van emoties lijkt te zijn ontworpen. Maar deze gevoelens zijn Vermeer niet aan te rekenen, het valt te betwijfelen of hij ze zou hebben begrepen.

Wat mij vooral schrik aanjaagt is het grenzeloze vertrouwen van de kunstenaar op zijn netvlies. Hij heeft Delft betrapt. Dat is meer dan louter trucage, trompe-l'oeuil. Vóór Vermeer waren er al virtuozen in de zinsbegoocheling, illusionisten. Maar bij hen is zijn prismatische helderheid ver te zoeken. Zijn voorgangers `betrappen' daarom niet echt. Ze maken zich eerder schuldig aan wat we – door Vermeer heropgevoed – als een vertekening zijn gaan beschouwen: de omfloerste waarneming, gefilterd door het troebele oog van de geest, door een idee.

Stelt u zich een ogenblik voor dat niet Titiaan maar Vermeer de Venus van Urbino (1538) had geschilderd. Wat zou het verschil dan zijn? Het resultaat zou aanzienlijk dichter bij de prikkelpoppen van de Playboy uitvallen dan bij de geïdealiseerde Venetiaanse Liefde. Of stel dat de meester uit Haarlem zich aan Mantegna's dode Christus had gewaagd. Dan lag de Heiland er ontmaskerd bij, bespied en nuchter in beeld gebracht. Dat wil zeggen: in alle verschrikking compromisloos gewoontjes te kijk gezet, door een lens van pakweg 90 millimeter. Het verminkte lijk van een man en het naakte lichaam van een vrouw: in het tijdperk dat aan het Gezicht op Delft voorafging – de verloren tijd van Europa – waren de dood en de schoonheid niet minder gewilde onderwerpen dan nu. Het onderscheid zit hem in de getuigenis. In het huldigen van hygiënische principes en het nastreven van werkelijk schitterende onverschilligheid.

Die neutraliteit in het beeld is gemeengoed geworden. Ik slof door het Mauritshuis om het ontstaan ervan opnieuw tot me door te laten dringen. Ja, daar is het weer: het eerste proefstuk van de afstandelijke beeldregistratie. Johannes Vermeer was een voorloper, van de fotografie wel te verstaan. Zijn blik is een scharnierpunt in de geschiedenis van het zien. Hij bereidde ons voor op het koelbloedig vastleggen van visuele indrukken, een zaak die vandaag verrukking en tegelijk angst bezorgt. Anders gezegd: hij dreef ons in de richting van het kiekje, de pin-up, de portretten van dierbaren en dictators, van huisdieren en alledaagse lijken. Vermeer is verantwoordelijk voor de plaatjes die wij koesteren en waarvan wij gruwen. Bij uitbreiding is hij verantwoordelijk voor Basic Instinct en voor Apocalypse Now, voor het wegens veel succes geprolongeerde Twin Towers Burning en het niet minder geslaagde Tsunami!

De vraag dringt zich op: hoe bedreigend is de terreur van het beeld voor de lezer? Schrijvers lijken de strijd met beeldenmakers te verliezen. Een oud conflict, dat draait om wat het echtst is, om wat ons het meest waarachtig toeschijnt. Het heeft veel weg van een slingerbeweging: soms genoot het boek het meeste gezag, dan weer overheerste het geloof in beelden. Sinds de fotografie haar intrede deed is het pleit in het voordeel van het `gesneden beeld' geslecht. Wij schrijvers zijn mooi opgescheept met de toverlantaren en het schimmenspel, hoor je hier en daar. Vooruit, het publiek is inmiddels verslaafd aan de vinnige vertelling, aan voortdurende prikkeling en provocatie, kortom, aan fotografische en filmische stijlmiddelen. En alleen in de marge van de markt bestaat nog enige ruimte voor literaire zwaargewichten, voor de beoefenaars van het Woord in absolute zin. Maar wat mij de meeste zorg baart is die geloofsvlucht. De overtuiging dat het beeld nu authentieker is, levensechter dan een tekst. Wie zal nog de doden tellen waar geen camcorder aanwezig was?

`In den beginne was het Woord', meende de apostel Johannes, `en het Woord was bij God, en het Woord was God'. Hij gebruikt de verleden tijd en dat is gepast. Tegenwoordig zou hij moeten schrijven: `Tenslotte is er het Beeld, en het Beeld is bij God, en het Beeld is God.' Geen tekst die nog kan wedijveren met de verleiding en de iconografische urgentie van een beeldverslag. De iconenmakers trekken aan het langste eind. Ze kraaien victorie: het verhalende beeld is de gemene deler geworden, het heeft de mensheid van boeken en boekengeleerdheid bevrijd. Zie hoe plomp en omslachtig het boekwerk is – een mindere God, zoveel minder democratisch en doelmatig in het commerciële verkeer, in het maatschappelijke verkeer.

Onlangs zag ik op een bankje naast de Hofvijver een jonge vrouw zitten die in een van mijn romans wegdroomde. Dat streelt me, ik ben ijdel genoeg om het vleiend te vinden. Tegelijkertijd vermoed ik dat haar soort tot uitsterven is gedoemd. Er is voor de dromer steeds minder gelegenheid om zich terug te trekken in de bladzijden van een novelle of een verzameling essays. De voorstellingen razen om haar heen. Ze draagt plaatjes met zich mee die documenteren wie zij is, daar wordt zij toe verplicht. Plaatjes, ook, die haar helpen om een geliefde voor de geest te halen, om haar kinderen in herinnering te brengen. Bewegende beelden dringen door tot de intiemste ruimten van haar leven. In de kamer waar zij zich terugtrekt om te slapen staat naar alle waarschijnlijkheid een beeldscherm (er zijn lui die een scherm in de wc installeren). Pijnlijker is het, dat ze het leven zelf als een rolprent is gaan beschouwen. Ze wandelt rond in haar eigen film, in een opeenvolging van vlot gemonteerde taferelen, dan wel in scènes met een stotterend verloop, wanneer het even tegenzit.

Het bestaan heeft haar onveranderlijkheid verloren, luidt het cliché, en we zijn de intimiteit van het boek kwijt. Maar er is meer aan de hand. Voor het begrip `Woord' (`het Woord was God') gebruikt het Nieuwe Testament logos. Logos zou met evenveel recht uit het Grieks kunnen worden vertaald met `Rede' of `Leer'. Alles begint dus met de Rede en de Leer, verklaarde Johannes. Redeneren en worstelen met doctrine is wat de mensen van het Boek onderscheidt van het volk van het Scherm. De mens van het Boek verkeert hier beslist in het nadeel. Hij redeneert met gemak en met overgave, maar zijn benadering is minder dan flexibel en zijn argumentatie weinig lenig. De gril is hem vreemd. In een betoog staat wispelturigheid immers gelijk aan het plegen van overspel. Ik stel het met berusting vast.

De mens van het Boek begrijpt niets van de snelle afwisseling en de veranderlijkheid die de montage eigen is. Aan de andere kant beschikt de mens van het Scherm over een vocabulaire van om en nabij vierhonderd woorden. Laten we ruimhartig zijn. De helft van deze woorden behoort thuis in de categorie krachttermen of wat je graag `daadverrichtende uitlatingen' noemt (`au', `weet je', `oei', `godverdomme', `Inshallah', `goh', `Jezus Christus', `fuck!', `fuck you too!'). Het ligt niet langer binnen het vermogen van schermwezens om een tekst te citeren, want daar zijn ze niet in geschoold. Een geschreven passage levert problemen op, die vereist verbeeldingskracht en actieve participatie, waar zij niet meer aan bloot worden gesteld. Toch draagt de schermmens in het wild apparatuur met zich mee die in staat is duizenden en nog eens duizenden beelden vast te leggen. Hij doet dit met veel toewijding: vastleggen, opslaan, reproduceren. Zonder het verwerken en opdringen van plaatjes zou hij niet bestaan, zou zijn verleden het zonder bewijs moeten doen.

Wie niet weg is, is gezien. En omgekeerd: wie niet gezien wordt, is foetsie. Moet kunnen. We kijken in een flits de wereld rond. En het scherm is er voor iedereen, voor het demos; er gaat een democratiserende werking van uit. De triomf van de beeldenmakers is misschien ook onze triomf. Ze hebben het goddelijke binnen ieders bereik gehaald, een werkelijk sensationele gewaarwording: onszelf wéér te geven door de registratie van het licht, roem in een mensenleven, duizelingwekkende roem. Ver weg, heerlijk ver verwijderd van de stoffige burelen van de Rede en de Leer, leggen wij onszelf vast, samen met een paar dierbare vrienden, als spelers bij elkaar geroepen in de kleedkamer, armen om de schouders geslagen, bivakmutsen op, machinepistool en kapmes in de hand – terwijl dat ongemaskerde individu die in ons midden knielt en naar de camera blikt zijn laatste woorden prevelt in een taal die wij niet verstaan, getuigend, zijn lot afwachtend.

Uiteraard is er nooit een apparaat ontworpen dat het mogelijk maakt met een druk op de knop in woorden te portretteren. Zoiets als een korte weg naar de literatuur bevindt zich buiten de horizon van het denkbare, vooralsnog. Ja, wij registreren klank, maar klank bezit geen natuurlijk ordenend lichaam: je kunt net zo goed het blaten van schapen vastleggen en dat is geloof ik afdoende gedaan. Het gaat me om mechanisch gemak in het vertellen, machinale welbespraaktheid, een tegenstrijdigheid. Woorden stollen niet zomaar uit zichzelf tot riemen vol betekenisvolle tekst. Ondertussen zijn we iets vergeten, namelijk dat de herkenbaarheid van het fotografische beeld op een tamelijk losse afspraak berust. Ooit zijn we met elkaar overeengekomen om die absurde chaos, een schakering van vlekken op een plat vlak, voor echt aan te zien, te aanvaarden als de onversneden waarheid. Vanzelfsprekend is dat niet, die afspraak kan doven als het licht waarop zij bouwt. Tenslotte zijn ook talen uitgestorven waarvan wij nu nog maar de schaduw van een vermoeden overhouden. Beeldtaal is weerloos als de rest, wanneer het vertrouwen in haar eenmaal is geschonden.

Het merkwaardige blijft: de collega's met wie ik deze gedachten deel beschuldigen mij in bedekte termen van afgunst, van jalousie de métier. Dat verbaast me. Ik wijt het aan Den Haag. Een stad waar de paling nog een compromis sluit met de ooievaar. Het toont ook aan hoe weinig ze begrijpen van mijn ontzag voor de feiten, voor de bezielde en onberispelijke bewering in welke vorm dan ook, niet bezoedeld door de rommel op die schermpjes. Die hang naar onberispelijkheid is, vermoedelijk, juist de oorzaak van hun afkeuring. Maar als balling in de Residentie – nu ik me gruwelijk verveel – speel ik met de gedachte om een politieke beweging in gang te zetten. Je zou een groepering op de been willen brengen die korte metten maakt met de idolatrie van het beeld. De schilderkunst heeft zichzelf al om zeep geholpen, uit die hoek valt geen alternatief meer te verwachten voor de hygiënische blik en het erfgoed van Vermeer. Wanneer het me lukt een groepje gelijkgezinden te verzamelen – ik ga uit van een ondergrondse cel van Jonge Turken –, wie weet wat er dan nog kan worden bereikt? Jonge Turken worden erg onderschat. En jongeren zijn over het algemeen gemakkelijk te beïnvloeden, hoewel je omzichtig te werk moet gaan. Wij hebben de grondzee alvast mee, er bestaat vandaag immers een overweldigende behoefte aan het soort idealisme dat alles in zijn kielzog mee zal sleuren. De grootste ezel komt het laatst van stal. Wij zullen de lichtbeelden uit de weg ruimen, de toezichthoudende camera's verbrijzelen, zie ik voor me. Wij zullen de musea afschaffen, bioscopen sluiten, een straf stellen op het bezit van plaatjes, bewegend of niet. Er zullen scholen moeten worden opgericht om het schermvolk te ontgiften, om het los te weken uit een verminkt bestaan. Het beeldscherm zal eindelijk verdwijnen, het zal op zijn beurt tot de voltooid verleden tijd gaan horen.

Dit is de ingekorte bijdrage van Henk van Woerden aan Winternachten International Writers Conference, Den Haag, 19 januari 2005.

Het Winternachten internationaal literatuurfestival vindt plaats van 21 t/m 23 jan in het Theater aan het Spui, Den Haag. Inl: www.winternachten.nl