Veel te dicht bij Europa

De vroegste contacten tussen Nederland en Marokko werden gekenmerkt door commercieel en politiek opportunisme. Nu kijkt men vandaar naar het Europese paradijs, terwijl men hier Marokko ziet als een kleurrijk exotisch land vol uitzichtloze armoede.

De eerste reiziger uit de Lage Landen die een verslag heeft nagelaten van zijn verblijf in Marokko is Nicolaas Cleynaerts, een Brabantse humanist en hoogleraar klassieke talen en Hebreeuws. Nadat zijn loopbaan aan de universiteit van Leuven in het slop was geraakt, reisde Cleynaerts in 1538 naar Spanje en Portugal en vandaar naar Marokko om Arabisch te leren. Afgezien van zijn liefde voor semitische talen was zijn voornaamste drijfveer zijn kennis van het Arabisch in te zetten in de zogeheten `vreedzame kruisvaart', dat wil zeggen de pogingen om de moslims in hun eigen taal op hun dwalingen te wijzen en tot bekering op te roepen. Cleynaerts hield zijn bedoelingen zorgvuldig verborgen toen hij in Fes de sultan toestemming verzocht om manuscripten aan te schaffen en een inheemse geleerde in te huren. Niettemin wekte zijn aanwezigheid grote achterdocht, omdat men vreesde dat hij zijn kennis zou willen gebruiken om de islam te bestrijden. Uiteindelijk vertrok de dappere geleerde met lege handen.

De brieven van Cleynaerts tonen Marokko als een ontoegankelijk rijk, dat niets moet hebben van buitenlandse indringers en dat met harde hand wordt geregeerd door een wispelturige vorst. Dat dit ook in de daaropvolgende eeuwen het overheersende beeld bleef in de verhouding tussen de Nederlanders en Marokko blijkt uit het boek Marokko in Nederlandse ogen van de Leidse Marokko-kenner Herman Obdeijn. Het boek, dat is verlucht met geschreven portretten door Abdelkader Benali, is uitgegeven naar aanleiding van de viering van vierhonderd jaar betrekkingen tussen Nederland en Marokko die dit jaar plaats heeft. Uit het overzicht blijkt dat de betrekkingen vooral bestonden uit spanningen en conflicten, commercieel en politiek opportunisme en wederzijds wantrouwen.

Galeislaven

In 1605 trok een gezantschap van de Republiek der Zeven Provinciën naar Marokko om te onderhandelen over de terugkeer van honderd Marokkaanse galeislaven, die voor de kust van Zeeland gevangen waren genomen op een buitgemaakt Spaans schip. De achterliggende gedachte was om Marokkaanse steun te verkrijgen in de strijd tegen de Spanjaarden en hoewel de missie aanvankelijk mislukte, werd in 1610 toch een verdrag gesloten waarin de Nederlands-Marokkaanse vriendschap werd vastgelegd. Het verdrag, dat het pauselijke taboe op relaties met islamitische staten doorbrak, voorzag in de openstelling van Marokkaanse havens voor Nederlandse schepen, het vrijkopen van gevangen genomen zeelieden en Marokkaanse wapenaankopen in de Republiek. De Nederlanders kregen nu de beschikking over steunpunten op de Noord-Afrikaanse kust om aan Spaanse schepen te ontkomen en daarnaast kon de handel met Marokko worden uitgebreid. De Marokkaanse sultan kon de Hollandse kanonnen en musketten inzetten in de interne machtsstrijd.

Met het verdrag hoopte de Republiek ook een slag toe te brengen aan de Barbarijse zeerovers, die Europese en dus ook Hollandse koopvaardijschepen voor de kust van Noord-Afrika bestookten en plunderexpedities ondernamen tot aan Engeland en Ierland. De bemanningen die zij gevangen namen werden als slaven verkocht en verbleven soms jarenlang in Marokko, in dienst van de sultan of notabelen in Marrakesj en Fes. In de Republiek werden geregeld inzamelingen gehouden om deze landgenoten vrij te kopen.

De kapers stichtten een eigen republiek in Salé die zich aan het gezag van de sultan onttrok en waar ook Hollandse vrijbuiters hun toevlucht zochten. Jan Janszoon uit Haarlem voerde de Saletijnse kapersvloot zelfs enige tijd aan onder de naam Moerad Raïs. De Republiek zag zich genoodzaakt ook met de kapers verdragen te sluiten, maar desondanks bleef de handel hinder ondervinden van zeeroverij. Dit zette ook de verhouding met de sultan onder druk en in de loop van de zestiende en zeventiende eeuw kwam het herhaaldelijk tot conflicten, begeleid door dreigementen, wapengekletter en zelfs officiële oorlogsverklaringen.

De reisverslagen die uit de periode van de kaapvaart bewaard zijn gebleven, zijn vooral afkomstig van Nederlandse slaven, zoals de schippersvrouw Maria ter Meetelen, die van 1731 tot 1743 in Marokko verbleef en met haar standvastige karakter de bewondering van de sultan afdwong. In deze periode is er nauwelijks sprake van culturele of volkenkundige belangstelling, afgezien van de arabist Jacob Gool, die in 1622 met een gezantschap meereisde om manuscripten te verzamelen. De belangstelling was in de eerste plaats gericht op handel en diplomatie en pas in de negentiende en twintigste eeuw verschijnen er reisbeschrijvingen van een meer doelbewust explorerend karakter, bijvoorbeeld van Abraham Kuyper, A. den Doolaard. In deze periode trekt Marokko ook de aandacht van Nederlandse oriëntalistische schilders, onder wie Jacobus van Looy, vader en zoon Israëls en Kees van Dongen, die op Marokko-reizen exotische inspiratie opdoen. Het is juist in deze tijd, waarin de culturele belangstelling toeneemt, dat de diplomatieke betrekkingen een dieptepunt bereiken. Bij het politieke spel rond de Franse overheersing van Marokko, vanaf 1912, en de uiteindelijke vorming van het onafhankelijke Marokko in 1956 speelt Nederland geen rol.

Arbeidsmigratie

De relaties tussen Nederland en het moderne Marokko staan natuurlijk in het teken van de arbeidsmigratie. Vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw is ongeveer zes procent van de Marokkaanse bevolking naar het buitenland getrokken op zoek naar werk, vooral naar Europa. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Obdeijn zijn overzicht besluit met een verwijzing naar de meest recente reisbeschrijving van Marokko, het boeiende Aroemi, aroemi van de antropoloog Hein de Haas, die enkele jaren onderzoek deed naar de gevolgen van de arbeidsmigratie voor het Marokkaanse platteland. Ook het boek van De Haas laat zien hoe weerbarstig de Marokkaanse samenleving is voor de Nederlandse bezoeker. Aanvankelijk beziet De Haas zijn omgeving met het milde oog van de buitenstaander. De misstanden, de armoede en de soms krampachtig vastgehouden tradities maken deel uit van een rommelige, romantische oorspronkelijkheid, die aangenaam contrasteert met het saaie, overgeorganiseerde Nederland. Maar naarmate hij meer opgaat in de samenleving om zich heen, raakt hij doordrongen van het structurele karakter van de corruptie, de armoede en het ontbreken van elk perspectief voor de jonge generaties. Het beeld verschuift van een land dat zich onderscheidt door zijn kleurrijke exotisme naar een land dat zijn bevolking geen enkel materieel of intellectueel perspectief meer biedt, dat ten prooi is gevallen aan werkloosheid, analfabetisme, verveling, autoritair gezag en een verstikkende sociale moraal.

Bij deze uitzichtloosheid speelt volgens De Haas de migratie naar Europa een belangrijke rol. Het levensritme op het platteland wordt niet meer bepaald door de zaai- en oogstseizoenen, maar door de vakantieroosters in Europa, wanneer de migranten massaal naar hun dorpen terugkomen. Dan wordt Marokko geconfronteerd met een andere wereld, die de traditionele opvattingen op losse schroeven stelt, maar die ook het visioen wekt van een Europees paradijs als enige uitweg uit de economische misère. Europa vertegenwoordigt welvaart, vrijheid en een toekomstperspectief, maar tegelijkertijd verdorvenheid en seksuele losbandigheid.

Het is de tragiek van Marokko dat het als Afrikaans land met een gering economisch potentieel veel te dicht bij Europa ligt, waardoor het wordt leeggezogen zonder in de welvaart te worden opgenomen, een land dat verstrengeld is met de Europese geschiedenis maar er toch geen deel van mag uitmaken. Het culturele conservatisme dient volgens De Haas als een overlevingsstrategie om de armoede en de decadente invloeden vanuit het almachtige Europa het hoofd te bieden. Het pessimistische beeld dat Hein de Haas schetst geeft misschien een vertekend beeld doordat het vanuit het perspectief van het platteland is gezien. Een verblijf van een aantal jaren in een van de grote steden aan de kust zou een ander beeld hebben opgeleverd. Maar met die observatie wordt de gespletenheid van de Marokkaanse samenleving eens te meer bevestigd.

Abdelkader Benali en Herman Obdeijn: Marokko door Nederlandse ogen 1605-2005. Verslag van een reis door de tijd. De Arbeiderspers, 254 blz. €19,95

Hein de Haas: Aroemi, aroemi. Een vreemdeling in Marokko. Bulaaq, 224 blz. €18,50