Hollands Maandblad

De zichzelf als conservatief beschrijvende Irving Kristol, voormalig hoofdredacteur van onder andere Encounter en Commentary, heeft eens geschreven over de factoren die volgens hem van invloed zijn op de ontwikkeling van onze maatschappij. Eén daarvan is de opvatting dat jong zijn een bijzondere verdienste heeft, zodat er een neiging bestaat om prestaties te beoordelen naar hun associatie met jeugd in plaats van naar hun objectieve kwaliteit. Ouderen zijn alleen nog gepreoccupeerd met verouderde en waardeloze zaken; hun denkbeelden kunnen zonder verder onderzoek oudbakken, oninteressant en verwerpelijk worden genoemd.

Deze neiging heeft ongetwijfeld altijd bestaan, maar het lijkt mij dat er in recente jaren een hoogtepunt is bereikt dat vroeger ondenkbaar was. Vreemd: die jaren vallen min of meer samen met mijn eigen oude dag – ik heb kortgeleden tot mijn verrassing de leeftijd van 75 bereikt – en er rijst dus twijfel aan de objectiviteit van deze observatie; het is het denkbeeld van een oudere, en alleen al daarom verwerpelijk.

Alles wat ik daartegen kan aanvoeren is dat ik de meeste van mijn huidige denkbeelden vroeger ook al had, dus toen ik nog jong was; ze leverden mij meer dan dertig jaar geleden ook al dezelfde conflicten op, en opmerkelijk genoeg met dezelfde soort mensen. Wat voor soort? Mensen die zich toen op hun jeugd lieten voorstaan en die mij – hoe merkwaardig! – toen al als seniel voorkwamen; ik zal geen namen noemen, maar ik denk hierbij vooral aan Simon Vinkenoog.

Er is namelijk nog een, weliswaar voor de hand liggende maar daarom niet minder abjecte, factor in het spel: ik bedoel de mensen die proberen hun eigen jeugdigheid te bewijzen door het afwijzen van de denkbeelden van ouderen. Een monument van deze instelling was het lied, destijds veel gezongen door Bob Dylan: `Come mothers and fathers/ Throughout the land/ Don't criticize/ What you can't understand/ Your sons and your daughters/ Are beyond your command/ Your old road is rapidly agein'/ Please get out of the new one/ If you can't lend your hand/ For the times they are a'changin'.'

Laten we een minuut stilte in acht nemen voor de domoren die zich toen door zulke woorden begeesterd voelden – maar nog eens een extra half uur voor degenen die er zich ook nu nog dronken door laten maken en er werkelijk in geloven. Een intrigerend voorbeeld is Allard Hoogland, die zich kortgeleden weer in het Hollands Maandblad (8/9 2004) liet horen, als volgt: ,,Het gebeurde vroeg in de lente van dit jaar, om precies te zijn op 4 april 2004 om 20.55 uur op Net 3. Vier bejaarde heren beklaagden zich in een televisieprogramma van de VPRO over de neergang van de beschaving. `Niemand leest tegenwoordig Menno ter Braak meer', zei een van hen, Kees Fens. Dat was koren op de molen van zijn drie gespreksgenoten, en samen wisten ze menig voorbeeld te noemen van onthutsende onwetendheid en gruwelijke verruwing in onze tijd. Later op de avond opperde Fens, die duidelijk het beste op dreef was, dat het ook jammer is dat de kennis van het christendom tegenwoordig zo wegzakt. Wederom kreeg Fens, die jarenlang schreef voor het rooms-katholieke dagblad De Tijd, bijval van de overige drie oudjes, Rudy Kousbroek, H.J.A. Hofland, en Bas Heijne. En zo werd het een memorabel gesprek over de huidige toestand in de wereld, die bleek neer te komen op een onafwendbare ondergang van alles wat ooit zo mooi was...''

Het vervelende is dat deze observatie, zonder de overdrijvingen bedoeld om het op te leuken, ditmaal niet op fictie berust. Zoals gebruikelijk in zulke gevallen is er bij Hoogland alleen sprake van emotionele kreten en niet van enig rationeel argument, maar de culturele verarming van deze tijd is niet een waandenkbeeld van fossiele oude knarren: het blijkt duidelijk uit allerlei cijfers, wij zijn nu gezakt naar de veertigste plaats op de diverse vergelijkende lijsten waarop Nederland vroeger prijkte bij de eerste drie. `Er heeft in Nederland een catastrofe plaatsgehad', zo schreef ik al vele jaren geleden, en met die catastrofe bedoelde ik de Mammoetwet. Nu ook alweer geruime tijd geleden werd het stadium bereikt dat mensen gevormd door dat slechte onderwijs zelf voor de klas kwamen te staan, waarmee hun analfabetisme de norm werd en iedere hoop op terugkeer naar een buitenlands niveau onherstelbaar vervlogen lijkt. Hun onwetendheid maakt de betrokkenen nog arrogant ook, ze zijn zich van geen tekortkoming bewust en beschouwen aanmerkingen als laster, ontsproten aan de waanideeën van de ouderdom. Zo leven we nu in een subcultuur die aan elkaar hangt van anti-intellectualisme, sentimentele stupiditeiten en zelfverheerlijking, wortelend in slecht onderwijs en jeugdverering. Kortgeleden verscheen daarover in de Opinie-bijlage (15-16 januari 2005) van deze krant `Denken is verdacht in hysterisch Nederland' door Ilja Leonard Pfeijffer, een uitstekend artikel, maar wel jaren te laat.

Er is over dit alles nog veel meer te zeggen, maar de directe aanleiding tot het huidige artikel is eigenlijk iets anders. Ik ontving een brief van de bekende wiskundige F.A. Muller, waarin hij onthulde dat hij gereageerd had op het artikel van Allard Hoogland waar ik zojuist uit citeerde, en dat zijn reactie tot zijn bevreemding was geweigerd. Die bevreemding, moet ik zeggen, is niet gratuit en niet een kwestie van eigendunk: Muller is een van de grote namen in Hollands Maandblad, waarin hij een paar schitterende beschouwingen heeft gepubliceerd, onder meer over Harry Mulisch en nog onlangs over George Steiner. Maar ook nadat Muller in zijn reactie nog het een en ander had veranderd, bleef Bastiaan Bommeljé (de redacteur van het Hollands Maandblad) bij zijn weigering.

Een wonderlijke geschiedenis. Muller stuurde mij de tekst van zijn reactie en ik kan er geen aanleiding voor weigering in vinden. Je zou veronderstellen dat er, om de bijdrage van een gelauwerde medewerker als F.A. Muller te weigeren, wel iets heel verschrikkelijks in had moeten staan – en dan nog! – maar nee, ik vond Mullers korte reactie een geestige, hoffelijke en in feite veel te milde beoordeling van Hooglands slappe gewauwel, dat bij mij eigenlijk eerder de vraag oproept waarom dát niet werd geweigerd. Dat laatste heb ik me trouwens ook wel eens afgevraagd bij een vroegere publicatie van Hoogland in het Hollands Maandblad. Toen ik het daar eens met iemand over had zei deze: ,,Maar weet je dat dan niet? Het Hollands Maandblad wordt gefinancierd door Hoogland.''

Hieraan denkend heb ik er na het ontvangen van Mullers brief nog eens navraag naar gedaan, en het werd mij opnieuw bevestigd: Hoogland draagt financieel bij aan de publicatie van het Hollands Maandblad.

Ik was natuurlijk onaangenaam getroffen; aan de andere kant, zo zit de wereld nu eenmaal in elkaar. Maar wat mij eigenlijk het meest treft is wat ik niet anders kan zien dan als de lafheid van Bastiaan Bommeljé – dezelfde Bommeljé die bij verschillende gelegenheden niet heeft nagelaten zichzelf te complimenteren met de onafhankelijkheid van het fiere Hollands Maandblad, dat veel te trots was om zijn hand op te houden voor steun van de overheid.