Een klas vol korte lontjes

In minutieus opgetekende verhalen vertelt Kees Beekmans, die deze week de E. du Perron prijs kreeg, waar hij tegenaan loopt als leraar op een zwarte school. Zijn boek zou verplichte kost moeten zijn voor politici en ambtenaren.

Murat D. was een `zorgleerling'. Hij schoot een jaar geleden, op 13 januari 2004, in de kantine van het Haagse Terra College zijn conrector een kogel in het hoofd. Een zwakbegaafde Turkse jongen uit het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs, onder invloed van drank en drugs, geboren in Den Haag en opgevoed door zijn moeder want zijn vader zit gevangen.

Duizenden `zorgleerlingen' halen geen schooldiploma meer, schrijft de Algemene Rekenkamer precies een jaar later, op 13 januari 2005, in het rapport Zorgleerlingen in het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs. Het is de schoolsoort waarin sinds 1999 mavo, voorbereidend beroepsonderwijs en het drie keer zo dure speciaal onderwijs zijn ondergebracht in de hoop dat de zwakkere leerlingen zich optrekken aan hun betere klasgenoten, een diploma halen, en zo meer kansen krijgen op de arbeidsmarkt. Maar die verwachting pakt averechts uit. De laatste onderwijshervorming is funest voor probleemleerlingen, oordeelt de Rekenkamer. Het kabinet, in de persoon van minister Van der Hoeven (Onderwijs), schrijft zorgleerlingen een veel te zwaar lesprogramma voor.

Murat D. was een allochtone polderjongen die verstrikt is geraakt in het web van tegenstrijdige regels thuis, op straat en op school. In de klas bestaat de non-interventiecultuur van het moderne onderhandelingshuishouden, verklaren gedragsdeskundigen, thuis en op straat is sprake van een autoritaire of afwezige opvoedingscultuur. Tel daar culturele conflicten, leerproblemen en een kort lontje bij op en een kruidvat van heetgebakerde `polderallochtonen' belegert de schoolkantines.

Maar het ministerie van Onderwijs brandt zich in rapporten, onderzoeken en nota's niet aan begrippen als opvoeding, allochtonen, culturele conflicten en ouders die de taal niet spreken en van Nederland nauwelijks iets begrijpen. Erger: precieze cijfers over het aantal zorgleerlingen en uitvallers in het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs worden niet bijgehouden, constateert de Rekenkamer, laat staan het aandeel van allochtonen onder hen. Het is precies zoals de vroegere directeur van Murat D. in de Volkskrant zei: het ministerie gaat voorbij aan ons klantenbestand. De ambtenaren hebben zich opgesloten in hun Haagse Hoftoren en weten niet voor wie ze hun plannen maken.

Kees Beekmans weet dat wel, hij weet dat heel precies. Beekmans is leraar Nederlands in Amsterdam en schrijft al tien jaar columns over zijn ervaringen op zwarte scholen, op de achterpagina van deze krant, in Trouw, Margriet en sinds 2003 in De Groene Amsterdammer. Het zijn prachtig geschreven miniatuurtjes die onlangs zijn gebundeld in Éen hand kan niet klapt. Het schokkende is dat ze, een decennium na het verschijnen van Beekmans eerste stukje, nog altijd een wereld onthullen die politici, beleidsmakers en schoolbestuurders verzwijgen. Want de allochtone `tijdbommen' zijn nog steeds uitbesteed aan hulpverleners en leraren. Daar verandert een dode conrector, vermoord door een zwakbegaafde Turkse leerling, niks aan.

Je pikt probleemleerlingen er zo uit, schrijft Beekmans: `de jongens waarmee thuis gerommeld is of die geen vader hebben.[...] Ze hebben iets met macht. Ze rebelleren tegen ons, autoriteiten, of zijn druk doende hun kleine koninkrijk op aarde te vestigen zonder dat wij daar veel van zien. Wat wij daarvan zien is alleen, telkens weer, die beslist charmante, onschuldige blik.'

Beekmans heeft het over Soufian uit Marokko. Soufian is dertien jaar, de jongste uit een gezin met twaalf kinderen. Zijn vader is suikerpatiënt, zijn moeder is overleden, een broer zit gevangen en daarom woont Soufian bij weer een andere broer. Soufian bespuugt zijn klasgenoten, `maar niet expres meester.'Soufian dreigt op straat de conciërge te slaan, `maar dat was een grapje.' En Soufian verkoopt kopstoten aan klasgenoten die daarvan niks durven zeggen uit angst voor represailles van zijn familie.

De zwarte school van Kees Beekmans geeft de strijd met Soufian op en hij verdwijnt naar het Psychologisch Pedagogisch Instituut. Maar na anderhalve week komen de begeleiders vertellen dat zij hem niet langer willen hebben. Ze zetten zijn schooltas met boeken op tafel en zeggen: `Hier hebben jullie hem terug.' Soufian zelf is thuisgebleven.

Kees Beekmans geeft sinds 1992 Nederlands op zwarte scholen in Amsterdam. De eerste jaren heeft hij nieuwkomers in de klas op een scholengemeenschap voor mavo, havo en vwo. Daarna stapt hij over naar het voorbereid middelbaar beroepsonderwijs. Uiteindelijk stopt hij met lesgeven en wordt hij directeur op een praktijkschool in de Pijp, bedoeld voor middelbare scholieren voor wie de `vmbo-leerwegen' te zwaar zijn. Ze wonen vaak al lang in Nederland en gaan naar de praktijkschool omdat ze moeilijk leren. Daar wordt ze `zelfredzaamheid' geleerd en krijgen ze na vier jaar een baan aangeboden. Tenzij het zoals bij Soufian misgaat en hulpverleners en school hem opgeven. Gaat hij Murat D. achterna?

In zijn jaren op de scholengemeenschap beschrijft Beekmans vooral hoe hij nieuwkomers Nederlands leert. De leerlingen vertellen moppen, maken sinterklaasgedichten, beelden hobby's uit en krijgen de opdracht te schrijven over hun plannen en dromen. En elke keer weer zijn hun antwoorden verbazend direct, soms op het vertederende af. Senads hobby is poepen, Vesna uit Bosnië droomt van een olympische titel pistoolschieten en Christie uit Londen schrijft: `telefoon aan in de les, eten in de klas en geen werk doen in de les. En het plan is neuken.'

Beekmans werkt met een bewerking van `Code Nederlands deel II, basisleergang Nederlands voor volwassen anderstaligen'. Want iets anders is, hoe ongelooflijk ook, niet voorhanden. Wat moeten kinderen in de puberleeftijd met de vraag: `De afstand tussen mens en natuur wordt steeds groter. Wat is daarvan de oorzaak, volgens U?' De Turkse Ilhan van vijftien schrijft: `De oorzaken is alle dag hebben oksjien alle mensen moeten oksjien pakken en andere oorzak is het lucht maktte altijd heel mooi.' Beekmans kan er geen touw aan vastknopen en laat hem het hoofdstuk overslaan. Dikke kans dat de kerndoelen van de basisvorming aan Ilhan niet besteed zijn.

Gaandeweg verdiept Beekmans zich ook in het leven van zijn leerlingen en dan rijzen de haren je te bergen. Het is oog om oog, tand om tand – elke dag, elk uur, elke minuut. Vooral voor de kinderen van de praktijkschool: ze leven op Twix en chips en hun bestaan draait om slaan of geslagen worden. Provoceren en intimideren is het handelsmerk, de leraar overmeesteren het doel. En zo verbazingwekend is dat niet als ze `Mees' vertellen over hun problemen. Agressieve ouders, illegaliteit, discriminatie (`waarom moeten meisjes met hoofddoek altijd naar de mavo?'), vragen over hun achtergrond, hun geloof en Nederland (`moet Rushdie niet dood?') en hersteloperaties aan het maagdenvlies. Hebben deze kinderen nog ruimte in hun hoofd om kennis te vergaren en zich te voegen in het keurslijf van kerndoelen, basisvorming, leerwegen en zorgstructuur, dat staatssecretaris Netelenbos heeft doorgedrukt vanuit het achterhaalde ideaal: gelijke kansen voor iedereen? Waren deze kinderen niet veel beter af geweest in de kleinere klassen van het speciaal en individueel gericht onderwijs met leraren die tijd en interesse hadden om zich te verdiepen in hun problemen en achtergronden?

De meeste indruk maken de miniatuurtjes waarin Beekmans vertelt hoe moslims in zijn klassen worstelen met hun Arabische identiteit. `Ik hoop dat ik met jong blond vrouw trouw die lief en aardig zijn', schrijft de Tunesische Nourredine, populair bij de meiden: `En ze moet niet werk om me te bedienen en volslang om haar in de sex gebruiken en ze moet mij respecten anders zal ik haar slaan.' Of de Marokkaanse jongens uit 6 vwo die in de zomervakantie `fundamentalist' zijn geworden – de column stond op 13 november 1995 in deze krant. De vwo'ers hebben hun baard laten staan, kijken meisjes en ook leraressen niet meer aan, bidden op school, en gaan op vrijdagmiddag naar de moskee. Said, een vroegere vriend, zegt smalend: `Had je ze vorig jaar moeten zien, toen stonden ze hier nog gewoon met meisjes te zoenen.'

Het zijn verhalen die anno 2005 niet verbazen. Maar ze vertellen ook dat het gedrag niet onweersproken bleef, terwijl Tweede-Kamerleden van VVD, LPF en CDA dat verwijt na de moord op Theo van Gogh scholen wel maakten, en nu buurtregisseurs en agenten vragen om `radicaliserende jongeren' op te sporen.

Op de zwarte school van Kees Beekmans praten docenten op de jongens in, komen klasgenoten zich beklagen en roept de schoolleiding de fundi's op het matje. Met het verschil dat, waar de nadruk nu ligt op het verbieden van alles wat vreemd en onbekend is, er halverwege jaren negentig ook oog is voor het gevoel van eigenwaarde van de jongens, hoe onnederlands hun gedragingen en opvattingen ook zijn.

Uiteindelijk weet de natuurkundeleraar tot hen door te dringen. De jongens vertellen dat ze er niet op hadden gerekend dat de manier waarop ze hun geloof belijden op zoveel weerstand zou stuiten. Maar als de leraar benadrukt dat je het `echt niet kunt maken vrouwen in Nederland niet aan te kijken', voegen ze zich weer naar de schoolregels. Behalve op vrijdagmiddag: dan moeten ze bidden in de moskee. De natuurkundeleraar: `Je moet die jongens toch een beetje de ruimte geven.'

Als leraar is Beekmans op zijn best. Hij is bewogen en subtiel, nooit zwaarmoedig en belerend. Hij geeft zijn leerlingen de ruimte maar confronteert ze met zichzelf zodra ze zijn grenzen overschrijden. Daarbij belicht hij prettig ironisch zijn eigen gezag. De ene keer scheldt hij uit `pure machteloosheid' op de zuigende Yassin, maar op een ander moment reageert hij met humor en scherpzinnigheid, en dat blijkt een stuk effectiever bij kinderen die macht zoeken. Wie daagt wie uit als Beekmans na schooltijd de Marokkaanse Wahed op de fiets achtervolgt. Als die hem uitmaakt voor flikker, zegt Beekmans rustig: `Inderdaad, hoe weet je dat?' Waarna ze beiden in lachen uitbarsten. Beekmans redeneert: `Wahed zoekt de spanning en ik voer die graag voor hem op. Maar leuker nog vind ik 't het rakkertje in verwarring te brengen.'

Dat is een leraar die een antwoord heeft op de provocerende huftertjes en daar gezag en vertrouwen mee afdwingt. Een leraar die een buitengesloten wereld binnendringt en bruggen kan slaan naar zijn `zorgleerlingen'.

Als directeur is Beekmans een stuk minder overtuigend. Vanaf het moment dat hij het directeurskamertje van de zwarte praktijkschool betrekt, heeft hij vrijwel alleen nog contact met de zorgelijkste zorgleerlingen. Hij ziet ze huilen, nooit meer lachen en vult zijn dagen met slecht-nieuwsgesprekken, al dan niet in aanwezigheid van een ouder, een verzorger, politiemensen of jeugdhulpverleners.

Hij beantwoordt provocaties niet langer met grappen en scherpzinnigheid maar met strafwerk. Als hij leerlingen begint uit te schelden omdat ze op de gang eten wijst een collega hem terecht: `Zo creëer je een conflict, de leerlingen verwijderen zich van je.' Beekmans vraagt kriegelig: `Wat is dat toch met die kinderen? Ergens schuldig aan zijn is onverdraaglijk voor ze. Als ze eruit gestuurd worden, als er iets gebeurd is; ze zullen altijd zeggen dat zij niets gedaan hebben, dat de meester ze somaar... Ze zijn bang voor de minste afwijzing – elkaar afwijzen is wat ze de hele dag doen – en ze zijn nog banger betrapt te worden op laakbaar gedrag. Het is alsof ze maar één stap van de hel verwijderd zijn.'

Beekmans verzuurt. Zijn geduld en vertrouwen raken op, zijn compassie verdwijnt. Verbaasd vraagt hij zich af waarom een Surinaamse collega wél vat krijgt op kinderen die een juffrouw pesten. De leraar vertelt door de ogen van de juf wat ze hebben gedaan en brengt zijn zorgleerlingen zo inlevingsvermogen bij. Beekmans: `Zelf zou ik eerder geneigd zijn er met de botte bijl op te rammen, als ik nog een klacht over wie dan ook van de juffrouw krijg.'

Mees Beekmans is Meneer Beekmans geworden. Zelf wijt Kees Beekmans de nieuwe hardheid in zijn voorwoord aan de veranderde tijdgeest en het lage onderwijsniveau. Maar is dat wel zo? Kees Beekmans is manager geworden. En de meeste managers zijn zwaarmoedig en belerend. Want ze maken leerlingen alleen maar op hun slechte momenten mee en kunnen ze niet, zoals een leraar dat kan, de ruimte geven om in te spiegel kijken en zichzelf te corrigeren.

Directeur Beekmans stuurt kinderen van school af en moet ze elders onderbrengen. Hij wordt uitgescholden als hij ouders aanspreekt op hun onmacht. Hij moet zijn idealisme inruilen voor pragmatisme als er te veel zieke docenten zijn. `Ik, die hier voor directeur speel en officieel geen les geef, kan een dag lang één klas opvangen. De tweede klas heb ik rucksichtloos weggestuurd, een dag lang een probleem minder. Hun allochtone ouders, zo is het ook weer, zullen toch niet klagen.' Beekmans, de manager, heeft klagen wel tot zijn nieuwe motto gemaakt: `Wij hebben de duurste leerlingen van de hele scholengemeenschap maar wij hebben van het schoolbestuur de minste middelen toegewezen gekregen. Schoolpolitiek'

Arme directeur Beekmans, arme managers van zwarte praktijkscholen. Ze hebben de moeilijkste leerlingen en te weinig geld. Ze hebben een te hoge werkdruk. De lesprogramma's zijn te ambitieus en politici hebben geen benul welke heetgebakerde polderallochtonen hun klassen bevolken, anders zouden ze hen nooit in dat overspannen keurslijf van vmbo, kerndoelen, leerwegen en zorgstructuur dwingen. Als ouders dan ook nog eens hun kinderen laten stikken, zijn alleen de leraren nog over om deze licht ontvlambare leerlingen te helpen.

Het wordt hoog tijd dat minister Maria van der Hoeven het bestaan van een allochtone onderklasse in het onderwijs benoemt. Waar is het `deltaplan' voor heetgebakerde polderallochtonen met leerproblemen in het voorgezet onderwijs? Waar blijven de `didactische strategiëen' die leraren helpen met een antwoord op provocerende leerlingen? Onderwijsambtenaren hoeven er hun veilige Haagse Hoftoren niet voor te verlaten. Kees Beekmans heeft het veldwerk al verricht, minutieus nauwkeurig, beschrijvend en ook analyserend.

Tenslotte nog één ding: hopelijk gaat Kees Beekmans weer lesgeven. Het onderwijs heeft zichzelf zozeer opgedeeld in bovenschoolse managers, tussenschoolse managers, beleidsambtenaren en schoolleiding dat alleen de leraren dagelijks contact onderhouden en een band kunnen opbouwen met hun leerlingen. Juist Mees Beekmans is in staat het vertrouwen te winnen van moeilijk lerende heethoofden op de zwarte school. Eén hand kan niet klapt bewijst dat dit groeiende leger tikkende tijdbommen zulke leraren het allerhardste nodig heeft.

Kees Beekmans: Eén hand kan niet klapt. En andere verhalen uit de zwarte klas. Het Spectrum, 240 blz. €15,95 Algemene Rekenkamer: Zorgleerlingen in het voorbereidend middelbaar beroepsponderwijs. Verkrijgbaar via www.rekenkamer.nl en 070-3424400, 45 blz.

    • Wubby Luyendijk