De alle-dertien-goed-show

Op drukke poetry slam-avonden strijden jonge dichters om de gunsten van het publiek: snel scoren voor de lach, niet te diepzinnig doen.

Een poetry slam-avond in café Festina Lente in Amsterdam. Veel baardjes en sikjes, veel tiendejaars-studenten Neerlandistiek. `Dichter/student zoekt kamer.' Poetry slam is niet alleen een wedstrijd in het voordragen van gedichten, het is een lifestyle. Ongeveer vijf jaar bestaat het nu in Nederland, na te zijn overgewaaid uit Amerika, waar het al sinds de jaren tachtig populair is. Daar is het ontwikkeld om de reguliere poëzieavonden te verlevendigen – in eerste instantie gebeurde dat in een boksring, maar dat melige element is later weer verdwenen.

Achter in het overvolle Amsterdamse café zit Simon Vinkenoog, die als eminence grise van de Beat-poëzie nu graag zijn licht laat schijnen over de jonge slammers. Hij zit in de jury. Ook het publiek heeft een stem, maar juist de aanwezigheid van Vinkenoog verleent de slam-avonden in Festina Lente een officieel tintje. Want verder is het een vriendelijk, maar ongeregeld zooitje.

Vijftien slammers hebben elk drie minuten de tijd. Het gaat snel; de poëtische gedachten struikelen over elkaar heen, maar het publiek blijft onverminderd geïnteresseerd. Aan het applaus hoort de slammer alvast of het erin zit dat hij naar de volgende ronde mag.

Maarten Das (1980) is een veelgeziene kandidaat; hij heeft al heel wat overwinningen op zijn naam staan, en verwierf verdere bekendheid door mee te doen aan een serie avonden over de Last Poets – daarvoor schreef hij speciaal een gedicht in de Last Poet-stijl, en trad daarmee onder andere op in een vol Paradiso. Hij slamt uit het hoofd en spreekt in een trance-achtige cadans. Uitermate moeilijk om in één keer helemaal te volgen, maar het valt in de smaak, want in de pauze wordt Das aangeklampt door iemand in het publiek: ,,Ik vond je eerste gedicht echt strak minimalistisch.''

Das mag door naar de volgende ronde, terwijl de wat meer pathetische dichters die zinnen als `fata morgana der moderne tijd' uit hun mond krijgen, afgeserveerd worden. Ook de vrouw die als motto heeft dat `het lekker is om je eigen wereld te scheppen', is voor vanavond klaar. Das heeft duidelijk meer ervaring en neemt de poëzie serieuzer. ,,Ik heb altijd al veel poëzie gelezen'', zegt hij. ,,Mijn moeder had De spiegel van de Nederlandse poëzie van Hans Warren in de kast staan, en daar las ik in. Ik vond daar iets wat ik nergens anders kon vinden.''

Rode draad

`Slam' betekent letterlijk `iemand beledigen', maar tijdens een Nederlandse slam-avond heerst geen agressieve sfeer. Geen gescheld, geen boegeroep. Hoogstens een heimelijk en gedempt uitgesproken: `De rode draad van vanavond is dat ik er geen reet van begrijp.'

De poetry slam in Festina Lente is dus een veilige baarmoeder, maar toch is duidelijk merkbaar dat de dichters zenuwachtig zijn. Als ze een lach krijgen, groeien ze een paar centimeter (`De smaak van zigeuners is niet te vangen in schnitzels en sauzen', `Ik heb een kat die niet kan badmintonnen'). Daarom wordt een slam ook wel laatdunkend stand-up poetry genoemd: snel scoren voor de lach, niet te diepzinnig doen. ,,Natuurlijk, je gaat een soort punchlines schrijven in je gedichten'', zegt een van de slammers. ,,Dat gaat bijna vanzelf.''

Daar is Maarten Das het niet mee eens. Als hij mag kiezen, wil hij liever een stilte dan een lach. ,,Je schrijft je gedichten thuis, in je eentje, dan denk je niet aan het publiek. Ik merk wel altijd meteen als ik iets schrijf: dit is voor een slam, en dat niet. In een slam-gedicht zit heel veel ritme en muzikaliteit. Je gaat dan niet je moeilijke, introverte gedichten doen. Je zoekt iets dat grappig of luchtig of overdonderend is. Veel dichters zijn alleen maar uit op scoren. Anderen proberen zich door de slam te ontwikkelen tot betere dichters. Tot die laatste groep behoor ik. Het is mij begonnen om op papier te staan. Ik word steeds kritischer op mijn eigen werk, probeer zoveel mogelijk te lezen, en ben mezelf aan het vernieuwen. Vanaf het moment dat ik dat ben gaan doen, won ik minder slams, en ik heb wel eens het gevoel dat ik mijn optredens krijg als gevolg van mijn oude reputatie. Dat ik nu minder win vind ik een goed teken. Het is allemaal nog steeds aardig om naar te luisteren, maar het zijn geen echte slam-gedichten meer.'' En inderdaad, binnenkort publiceert Maarten Das zijn eerste bundel.

Trainingsjasjes

,,Ik voel me wel een echte slammer'', vertelt Sieger Geertsma (1979). Hij slamt op een avond van de Nijmeegse organisatie De Wintertuin. Op die avonden wordt ineens duidelijk waarom poetry slam een cool imago heeft: een live band erbij, een vj. Bijna iedereen in het publiek heeft een trainingsjasje aan. Bijna iedereen op het podium ook. Wat Geertsma doet, klinkt soms bijna als rap. ,,Het gesproken woord voegt iets toe aan de geschreven tekst. Ik doe het uit mijn hoofd, zodat ik de zaal aan kan kijken. Ik word dan het gedicht, ik ben het vleesgeworden gedicht. Zo neem ik het publiek mee.''

Hoe hij dat doet? ,,Ik ga bijvoorbeeld door de zaal heen lopen. Of ik laat het publiek meedoen. Bij een gedicht over water moet iedereen heel zachtjes `water' fluisteren. Dan krijg je een soort gekabbel op de achtergrond. En er ontstaat ook een beetje een hilarische sfeer.''

Geertsma's eerste ervaring in de wereld van de poëzievoordracht deed hij op toen hij nog op de middelbare school zat. ,,Dat was in Groningen, in een zaaltje met tien man erin, op dinsdagnacht tussen twee en half drie. De volgende dag was ik dan om half negen weer op school. Slam bestond toen nog niet, maar ik leerde wel al voordragen.''

Hoe belangrijk de performance ook voor hem is, uiteindelijk wil Geertsma zich, net als Das, bewijzen op papier – inmiddels is zijn eerste bundel verschenen. ,,Ik treed meer op dan dat mijn boekjes verkocht worden, dus ik besef goed hoe belangrijk optreden voor mij is. Toch wil ik graag dat mensen me over honderd jaar nog steeds kunnen lezen. Maar dat wil niet zeggen dat ik neerkijk op slam. Toegegeven, een slam is vaak een veredeld open podium, waar mislukte cabaretiers kunnen scoren als ze dat in de cabaretwereld niet lukt. Maar ik denk dat er heel leuke dingen gaan komen naast slams. Met meer muziek erbij, vj's, beeldende kunst. Er komen meer mengvormen. De belerende poëzie-avonden gaan plaatsmaken voor spetterende avonden. Dat is natuurlijk het tegenovergestelde van wat de literaire junta wil.''

Mompelen

,,In de reguliere poëziewereld is het verdacht als je rechtop staat en alles verstaanbaar is'', zegt Erik Jan Harmens (1970), jurylid in Festina Lente. ,,Je wordt pas serieus genomen als je binnensmonds aan het mompelen bent. Terwijl ik echt geen half uur naar Rutger Kopland kan luisteren.'' Harmens werd in 2002 Nederlands slamkampioen. ,,Daarna heb ik besloten niet meer te slammen. Slammen was voor mij een springplank, het is een mooie snelle manier om bekend te worden. Ik had geen zin meer in de wedstrijdvorm, dus het was een opluchting om ermee te stoppen. Mijn poëzie is ook zo veranderd, ik wil het niet zomaar meer voor de haaien gooien.''

Harmens: ,,Een slam is uiteindelijk: op effectbejag voordragen. Terwijl poëzie juist te maken heeft met risico's nemen en grenzen opzoeken. Je creëert een afstand, je schept een andere werkelijkheid, je zaait verwarring. Een slam is wat mij betreft te vaak een alle-dertien-goed-show. In de coulissen heerst tussen de slammers ook vaak zo'n sfeer van: `Ga je dat gedicht doen? Oh leuk. En die ook? Oh leuk.' Zo glijdt de slam af richting amusement. Pleasers zijn er al genoeg, daar spuug ik op. Laten we de poëzie dan maar liever klein houden. Het hoeft niet allemaal begrijpelijk gemaakt te worden. Ja, daar ben ik bloedfanatiek in.'' Toch is Harmens jurylid bij de poetry slam in Festina Lente. ,,Ik probeer dan de poëzie in de slam te zoeken. Ik zoek dichters die meedoen aan slams, geen slammers.''

En zo lijkt de slam, jong als hij is, alweer een beetje ten dode opgeschreven. Echte slammers zijn geen dichters, en echte dichters slammen bij voorkeur niet. Behalve Erik Jan Harmens heeft ook slam-ster Tjitske Jansen (genomineerd voor de erebaan van Dichter des Vaderlands) het slammen vaarwel gezegd. De slam trekt beginnende dichters aan maar zorgt daarna voor stigmatisering. Harmens: ,,Als ik ergens optreed word ik nog steeds `slamdichter' genoemd, terwijl ik dat allang niet meer ben. Je raakt het niet kwijt.''

Toch is er nog hoop voor de slam als zelfstandige kunstvorm. Er is namelijk een heel kleine minderheid van serieuze dichters die de slam niet puur ziet als kruiwagen naar een uitgeverij. Sven Ariaans (1969) slamt al jaren, is mede-organisator en jurylid van de slams in Festina Lente, en werd vorig jaar Nederlands kampioen. ,,Mijn enige doel is om contact te maken met het publiek. Vaak doe ik dat met autobiografisch materiaal. Doodeng, maar je kunt er heel bijzondere momenten mee krijgen. Publiceren wil ik niet eens, hoewel het me vaak genoeg gevraagd is. Ik schrijf zelfs staand, alsof ik optreed. Bij alles wat ik schrijf stel ik me voor hoe een publiek erop reageert.''

Het optreden voegt nu eenmaal heel wat toe, vindt Ariaans. ,,Je kunt bijvoorbeeld meer lagen aanbrengen. Door hoe ik iets zeg kun je ineens horen dat het ironisch bedoeld is. Terwijl het er op papier oppervlakkiger uitziet.'' Ariaans doet nog steeds mee aan slams. ,,Maar het gaat me absoluut niet om het winnen. Ik wil gewoon optreden.''

Waarom die slams dan toch in competitievorm worden georganiseerd heeft een banale reden. Ariaans: ,,Toen we begonnen met de slams in Festina Lente, waren er andere poëziepodia in Amsterdam. Daar zat je altijd met tien man in de zaal. Bij onze slams hadden we meteen een volle bak. Het publiek luistert ook aandachtiger, omdat ze weten dat ze zelf iets in te brengen hebben.'' Een podiumkunstenaar, dat is Ariaans. ,,Ik wil mijn gedichten best voor iemand opschrijven'', zegt hij toegeeflijk, ,,maar alleen nadat diegene ze gehoord heeft.''

De poetry slam in Festina Lente (Looiersgracht 40, Amsterdam) is elke eerste dinsdag van de maand om 20.30u.

Voor de slams van de Wintertuin, overal door het land, zie www.wintertuin.nl.

De eerste bundel van Maarten Das verschijnt in maart bij uitgeverij Holland.

Voor meer informatie over Sieger Geertsma: www.siegermg.nl.

Over Erik Jan Harmens: www.erikjanharmens.nl. Zijn tweede bundel, `underperformer', verschijnt in maart bij Nijgh & Van Ditmar.

Wie wel een slam wil zien, maar niet de deur uit, kan vanaf 27 januari stukjes slam zien op www.slamsphere.nl

,,Pleasers zijn er al genoeg, daar spuug ik op''

,,Een slam is uiteindelijk: op effectbejag voordragen''

,,Ik schrijf zelfs staand, alsof ik optreed''