Boerenworst en biltong

De in Wenen woonachtige Zuid-Afrikaanse schrijver Troy Blacklaws heeft een optimistischer natuur dan J.M. Coetzee. En hij schaamt zich er niet voor dat ook hardop te zeggen. Zo verklaarde hij in een interview in de Mail & Guardian: ,,Ik heb Karoo Boy gedeeltelijk geschreven als een reactie op In ongenade, omdat ik Coetzees wereldbeeld onverdraaglijk somber vind. Ik deins niet terug voor geweld en wreedheid, maar ik geef de voorkeur aan een filmischer beeld van Zuid-Afrika. Coetzee gebruikt een ontleedmes; ik een stomp, afgekauwd potlood.''

Karoo Boy zou dus volgens de auteur geslaagd zijn wanneer de roman beeldend, draaglijk somber en schetsmatig genoemd kan worden. Het zijn niet de meest voor de hand liggende typeringen voor een roman – en het is bovendien een tikje hooghartig om je debuut te vergelijken met (en af te zetten tegen) een roman van iemand die de Nobelprijs voor literatuur ontving – maar Blacklaws' kwalificaties kloppen redelijk.

In het verhaal, dat zich afspeelt in de jaren zeventig, beschrijft Blacklaws hoe de veertienjarige Douglas van het ene op de andere moment in een totaal andere wereld terechtkomt: vader gooit een cricketbal naar Douglas' tweelingbroer, ongelukkigerwijs raakt hij diens hoofd en de jongen sterft. Het gezin valt nu binnen de kortste keren uiteen. Zijn vader vertrekt voorgoed en zijn moeder, die niet weet hoe ze het verlies moet verwerken, besluit zich met haar zoon terug te trekken in Klipdorp, een onprettig plaatsje in de Karoo. Het strand- en uitgaansleven wordt vervangen door een wereld van boerenworst en biltong. In deze eentonige en harde omgeving wordt Douglas volwassen en wordt hij geconfronteerd met de moeizame omgang tussen zwarten en blanken.

Het is een aansprekende vertelling: een jongen met een mooie bos haar komt na een zwaar verlies terecht in een dorp waar alle jongens kaalgeschoren koppen hebben. Dezelfde jongen ondergaat op het schoolplein de nodige vernederingen, wordt verliefd op een recalcitrant meisje dat op stompe potloodjes kauwt en sluit vriendschap met Moses, een zwarte oud-mijnwerker. Daar moet een film van te maken zijn, met veel mooie natuurscènes, en dat zal ook gebeuren, want de filmrechten werden al snel na verschijning verkocht.

Het zal daarbij gescheeld hebben dat Karoo Boy ondanks het zware gegeven ook humoristisch is. Zo wordt de hond van Douglas neergezet als een racistisch beest: 'Alle zwarten beschouwt hij als postbodes of krantenbezorgers waartegen woest kan worden geblaft.' Dergelijke observaties, naast merkwaardige situaties, zoals een dominee die komt klagen over de geschilderde zwarte naakten door Douglas' moeder, en de vlotte dialogen maken het verhaal bijna lichtvoetig.

Behalve het verhaal van een opgroeiende jongen vertelt Karoo Boy ook over de alledaagse praktijk van racisme in een willekeurig klein dorp. Douglas ontdekt dat vriendschap tussen blank en zwart onmogelijk is. Dat geeft het verhaal over volwassenwording meer diepgang, maar helaas zijn deze passages tevens de minst geslaagde. Alle zwarten zijn even sympathiek, terwijl er nauwelijks een blanke te vinden is die deugt, op Douglas en zijn moeder na dan. Misschien heeft Blacklaws hier het duidelijkste statement in de richting van Coetzee willen maken. Coetzee werd in Zuid-Afrika immers verweten dat hij de zwarte personages geen gezicht gaf en in een kwaad daglicht plaatste. Toch was het beter geweest als Blacklaws hier een scherper potlood had gebruikt. Dat neemt niet weg dat Karoo Boy een met vaart verteld verhaal is dat een fraai, dragelijk somber beeld schetst van een blanke jongen in de jaren zeventig in Zuid-Afrika.

Troy Blacklaws: Karoo Boy. Double Storey, 197 blz. €18,–. Een Nederlandse vertaling verschijnt in april bij Ambo.

Troy Blacklaws treedt morgenavond samen met zijn landgenoot Ivan Vladislavic op tijdens het Winternachtenfestival in Den Haag. www.winternachten.nl