Zes pilletjes per dag. Maar waar zijn ze voor?

Vijftienduizend mensen per jaar in het ziekenhuis door verkeerde medicijnen. Een paar honderd doden. Weten artsen wel wat ze voorschrijven?

Geerte Jippes-Sikkema (85), tijdelijk opgenomen in verpleeghuis De Lichtenberg in Amersfoort, vertelt welke medicijnen ze allemaal slikt. ,,Ik begin 's morgens met Thyrax, voor de schildklier, om die een beetje normaal te laten functioneren. Dan neem ik Oxybutinine, maar al slaat u me dood, ik weet niet waarvoor dat is. Ik geloof voor de blaasspieren. En ik neem ook iets waarvan ik de naam niet weet, laat staan dat ik weet waar dát voor is. Om vijf uur weer Oxybutinine, en twee tabletjes bloedverdunner tegen de trombose. En 's avonds een halve slaappil.''

Het begon met kanker, zegt ze. De trombose was een bijwerking van de behandeling die ze daartegen onderging. Daarna bleek een van haar heupen niet in orde. Ze werd drie keer geopereerd en toen moest ze twaalf weken plat liggen. Ze vertelt dat ze op de eerste dag in De Lichtenberg te horen kreeg dat ze moest stoppen met de bloedverdunners. Eerst zou worden gekeken of ze die wel nodig had. ,,Dat wilde de verpleeghuisarts. Niet dat die mij ooit gezien had. Zo ging het gewoon, zei de verpleegkundige. Ik zei: waar is dat op gebaseerd?'' Ze slikt de bloedverdunners nog steeds. Ze heeft weinig vertrouwen in de verpleeghuisartsen. ,,Je hoort of ziet die mensen nooit. Je wordt niet geïnformeerd. Laatst werd er een urinemonster genomen. Een week later zie ik een van de dokters op de gang. Ik roep: dokter, de uitslag? Hij zegt: de uitslag? Die is goed hoor. En hij loopt zo door.''

Adam Cohen, hoogleraar klinische farmacologie aan het Universitair Medisch Centrum van de Universiteit van Leiden, is niet verbaasd dat er honderden mensen per jaar doodgaan door verkeerd medicijngebruik - dat staat in jaarrapport 2004 van de Inspectie voor de Gezondheidszorg. ,,We besteden al jaren lang elk jaar minder tijd, geld en moeite aan farmacologisch onderwijs. Studenten weten, als ze aan hun co-schappen beginnen, maar heel weinig van hoe medicijntherapieën werken.'' Cohen is in Leiden verantwoordelijk voor het farmacologisch onderwijs aan artsen in opleiding.

Vroeger, zegt hij, ging men ervan uit dat een arts tijdens zijn co-schappen wel ,,van de meester zou leren hoe je medicijnen voorschrijft''. Maar dat blijkt niet te werken. Vernieuwing van het farmacologisch onderwijs is volgens hem ,,hoognodig''. De Universiteit van Leiden is, net als andere universiteiten in Nederland, hard bezig met een nieuw onderwijscurriculum. De Wereldgezondheidsorganisatie raadde dat al in 1970 aan.

Studenten, zegt Cohen, moeten leren zich te realiseren hoe complex de werking van medicijnen is. Dat besef is niet alleen essentieel om de juiste therapie te bedenken. Hij vertelt zijn studenten dat je wel kan vergeten dat een patiënt netjes zijn medicijnen neemt als je als arts niet eens zelf begrijpt hoe het werkt en wat de bijwerkingen zijn.

Als het aan Cohen ligt moeten studenten ook leren dat ze het voorschrijven van een bepaald middel aan de patiënt moeten kunnen uitleggen, en ook aan collega's. Nu gebeurt dat nog nauwelijks. Met als gevolg dat artsen die een patiënt van een collega overnemen vaak niets begrijpen van de voorgeschreven medicijnen, en daarin allerlei veranderingen in gaan aanbrengen.

Misschien wel de belangrijkste les die Cohen artsen wil geven is dat ze patiënten ,,als een geheel'' moeten zien. Iedereen reageert anders. Ook de medische geschiedenis van een patiënt mag nooit ontbreken in de overweging of en welk medicijn een arts zal voorschrijven.

Cohen waarschuwt wel voor het tellen van `medicijndoden'. ,,Stel, een vrouw van 80 krijgt slaapmiddelen voorgeschreven. Op een nacht valt ze uit bed, ze breekt haar heup, gaat naar het ziekenhuis en sterft daar aan een longembolie. Het medicijn speelt een rol, maar is het ook de doodsoorzaak? ''

Jan van Ree, hoogleraar psychofarmacologie in het Universitair Medisch Centrum in Utrecht, rekent voor dat 40 tot 50 procent van de geneeskunde bestaat uit het voorschrijven van medicijnen. Elk jaar wordt 100 miljoen keer een medicijn voorgeschreven en geslikt of toegediend door miljoenen mensen die allemaal fouten kunnen maken. Hij maakt een vergelijking met het verkeer: het grootste wonder is misschien wel dat er per dag zo wéinig ongelukken gebeuren. Waarmee hij het probleem van het verkeerde medicijngebruik niet wil bagatelliseren. Per jaar leidt het tot 15.000 acute opnames.

Invoering van een elektronisch patiëntendossier zou een grote verbetering zijn, zegt hij. Maar dat zal nog een paar jaar op zich laten wachten. Wat al wel steeds meer gebeurt: gestructureerd overleg tussen apothekers en huisartsen – in groepspraktijken, in ziekenhuizen. En wat volgens Van Ree ook heel belangrijk is: dat artsen hun kennis over medicijnen vergroten.

Mathijs Kalmeijer, ziekenhuisapotheker in het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam, doet veel onderzoek naar verkeerd medicijngebruik. Heel belangrijk, zegt hij, is dat er goede risicoanalyses worden gemaakt. Daar is hij op dit moment mee bezig, samen met apotheker in opleiding Minke Jansen. Ze laten zich adviseren door deskundigen uit de gas- en olieindustrie en de luchtvaart. Daarin worden ook véél handelingen verricht door véél mensen – en waar gaat het dan mis? In zijn vak, zegt Mathijs Kalmeijer, gaat het meestal bij het voorschrijven en bij het toedienen. Veel fouten bij het voorschrijven zijn er in het AMC al uitgehaald door artsen recepten niet meer – onleesbaar – te laten opschrijven, maar ze die te laten in te voeren in de computer. Maar afdoende is dat niet: patiënten kunnen dezelfde naam hebben. Of het hokje `intraveneus' wordt aangekruist in plaats van `intramusculair'.

    • Derk Stokmans
    • Jannetje Koelewijn