Topambtelijk ongeduld

Sinds 1953 is het traditie dat de secretaris-generaal van het ministerie van Economische Zaken in een nieuwjaarsartikel een knuppel in het hoenderhok gooit. De jaarlijkse zielenroerselen van deze topambtenaar zijn sedert F. Rutten in zijn langdurige termijn van bijna twee decennia vanaf 1973 de toon verhardde, vaak de `alternatieve troonrede' genoemd. J.W. Oosterwijk, de huidige secretaris-generaal op het departement, houdt de eer ook dit jaar hoog genoeg om een spoeddebat in de Tweede Kamer te veroorzaken, voor vanavond door de Partij van de Arbeid aangevraagd.

In zijn nieuwsjaarsartikel stelt hij voor dat het kabinet het voornemen loslaat om de begroting in 2007 naar een tekort van nog maar 0,5 procent te brengen. De extra bezuinigingen en mogelijke lastenverzwaringen die daarvoor nodig zijn – bovenop de reeds genomen draconische maatregelen – doen volgens hem meer kwaad dan goed. Het vertrouwen van de burger in de economie is al broos. En omdat de burger de sociaal-economische hervormingen van het kabinet is gaan opvatten als verkapte bezuinigingsmaatregelen, dreigt het draagvlak voor verdere hervormingen weg te vallen, aldus Oosterwijk. Juist door de burger de komende tijd iets terug te geven, kan het draagvlak worden gered. Boter bij de vis, in de woorden van deze topambtenaar.

Dat lijkt verstandige taal, al lijkt Oosterwijk zijn oude budgettaire rechtlijnigheid in het voorbijgaan te hebben opgegeven. Als voorzitter van de Centrale Economische Commissie, een ambtelijk adviesorgaan, zette hij nog twee jaar geleden bij de kabinetsformatie zijn handtekening onder het advies om het kolossale bedrag van 23 miljard euro te bezuinigen in de eerstvolgende kabinetsperiode. In zijn eerste nieuwjaarsartikel van 2001 wenste Oosterwijk dat er niet getornd zou worden aan de strikte begrotingsregels van, toen ook al, minister Zalm van Financiën.

Nu kan een mens van mening veranderen als de feiten veranderen. Maar zijn de feiten veranderd? Dat is onbekend, want de toekomst speelt een overwegende rol bij Oosterwijks opvattingen. Stel dat 2006 inderdaad het `oogstjaar' van Balkenende II wordt, met een flink oplevende economische groei. In dat geval zijn extra begrotingsmaatregelen niet of nauwelijks nodig, en is Oosterwijks discussie overbodig. Stel daarentegen dat de groei blijft tegenvallen. Dan zijn hoe dan ook budgettaire inspanningen nodig om de begroting niet opnieuw uit de hand te laten lopen.

Het kabinet vaart dus een redelijk ogende middenkoers door de plannen te laten zoals ze zijn. Aan Oosterwijks voorstel kleven nog twee bezwaren. Het eerste is dat de discussie over mogelijke veranderingen aan het Europese Stabiliteitspact in volle gang is. Nog eergisteren deed de Duitse bondskanselier Schröder een oproep om de begrotingsdiscipline te versoepelen in de eurolanden. De positie van het kabinet, dat tegen zo'n versoepeling is, wordt nu door een van zijn topambtenaren op een gevoelig moment ondergraven. Het tweede bezwaar is waar het allemaal om begon: de toekomstige kosten van de vergrijzing. Was het naar beneden brengen van de staatsschuld door een evenwichtig begrotingsbeleid niet juist prioriteit, ook volgens Oosterwijk?

De topambtenaar maakt met zijn pleidooi nu de indruk de begrotingsdoelen voor de lange termijn opzij te willen zetten ten faveure van de opportuniteit van het moment. Zijn bezorgdheid is oprecht, maar in dit geval is het beter om te wachten hoe het in gang gezette beleid van het kabinet in de praktijk uitwerkt, dan om het roer halverwege om te gooien.