`Babbo' Bartali

Het is een aanval van melancholie. Ik loop op Piazza dalla Costa in Florence. Een januarizonnetje zet de huizen in het licht. Hier bezocht ik zeven jaar geleden de beroemde wielrenner Gino Bartali. De meervoudig Tourwinnaar was al ruim over de tachtig. Ik zie hem zo weer staan; een kleine, kalende man met pretogen en een forse neus.

Ik herken de voordeur. Op twee naambordjes staat `Bartali'. Ik druk op de bovenste bel. Op de derde verdieping gaat een raampje open. Ik herken de vrouw van Bartali, Adriana. Ze wil liever niet meer praten over haar man nu hij dood is en verwijst me naar haar zoon, een bel lager. Hij blijkt net zo klein als zijn vader. En ik zie, onmiskenbaar, de Bartali-neus.

Luigi Bartali (59) opent zijn kantoor, een deur verder. Hij doet iets in verzekeringen. Hij gaat achter het bureau zitten met een blik of ik waterschade heb. Aan de muur hangt een tekening van zijn vader, met de tekst: Gino, hai sempre vent' anni. Gino, je bent voor eeuwig twintig.

,,Wat ik wil'', vraagt Luigi. ,,Ik wil hier even zijn, op de plek waar ik toen met je vader was'', zeg ik. Hij luistert naar mijn herinneringen. Ik mocht aan Gino's pacemaker voelen, hij toonde mij zijn prijzen op zolder, het kapelletje waar hij iedere ochtend een gebed prevelde.

Hij trekt een fotomapje uit een archiefkast. Tussen plastic velletjes liggen allerlei familiekiekjes. Hij wijst naar twee foto's: vader en zoon, als jongen in het leger. Gino Bartali kijkt lachend in de lens. Hij heeft zijn baret scheef op zijn hoofd en hij draagt een Kuifje-achtige pofbroek. Als militair zijn vader en zoon identiek.

,,Ik zag mijn vader nooit, de eerste jaren van mijn leven'', vertelt Luigi. ,,Hij was om vijf uur naar de koers en bleef vaak lang weg. Op mijn zevende heb ik pas voor het eerst samen met hem gefietst. We hadden een huis in Siena. Hij wilde met mij terugrijden vanuit Castellina in Chianti. Mijn fietsje was meegenomen in de topolino, ons kleine autotootje. Ik reed voor het eerst op de fiets naast mijn beroemde vader. We gingen de heuvel af. Al bij de tweede bocht was het mis, onze fietsen raakten in elkaar. We vielen. Ik mocht van hem geen wielrenner worden, hij vond het te gevaarlijk.''

In het fotoboekje zie ik Gino Bartali halfbloot op apegapen liggen in een strandstoel, in Pescara. Er zit weinig leven in, denk ik. Zijn dikke buik is ontbloot, het witte hemdje is omhooggeschoven tot aan zijn hals. Hij draagt een lichtblauwe, korte broek. Toen ik hem ontmoette, had hij nog geen buikje. Bartali is van 1914, hij stierf in mei 2000. Italië was in diepe rouw.

Luigi pakt een pijp van een plank. De kop van Gino Bartali is uit het hout gesneden. Weer die markante neus. ,,Heb ik van mijn vader gehad'', zegt Luigi. ,,Ik hou die pijp, hij gaat niet naar het museum. Babbo (Toscaans voor papa) rookte als een ketter. Soms twee pakjes per dag. Het liefst van het merk Nazionale, sigaretten in een groen pakje.''

Hij bladert verder. ,,Kijk, dat ben ik. Op de racefiets van mijn vader, in zijn gele shirt. Dit is op het plein voor de Sint Pieter in Rome.''

Luigi zit er een tikje triest bij, op zondagmiddag in zijn kantoor. Het is een loden last de zoon van Gino Bartali te zijn. Het is even over vijven op zijn gele sporthorloge. Hij geeft me een oude persfoto mee van zijn vader. Luigi gaat naar boven, naar zijn vrouw. Morgen duikt hij weer in de verzekeringen.

Buiten bekijk ik de foto. Gino in het geel, hij lacht, met zijn achternaam op het shirt. Bartali.

    • Wilfried de Jong