`We waren de tijdgeest ver vooruit'

Het Haags Kunstcentrum heeft een nieuw onderkomen gevonden, dat morgen wordt geopend. Scheidend directeur Lily van Ginneken: ,,Kunst in de openbare ruimte hoeft niet permanent te zijn.''

Het was altijd een wat vreemde plek om naar kunst te gaan kijken. Wie in het Haagse kunstcentrum Stroom een tentoonstelling wilde bezoeken, moest eerst de ingang zien te vinden – een smal zijdeurtje aan het Spui – en vervolgens met trap of lift een klim naar de vierde verdieping maken. Daar bleek, tussen de kantoren in, een expositieruimte met de afmetingen van een gymzaal verstopt te zitten.

Zo ontoegankelijk als de oude locatie was, zo uitnodigend is het nieuwe onderkomen van Stroom aan de Hogewal, dat morgen officieel geopend wordt. De Belgische architect Wim Cuyvers toverde hier vijf voormalige winkelpanden om tot één grote kunstetalage. Over een lengte van enkele tientallen meters kunnen voorbijgangers naar binnen gluren, naar de kloeke aluminium kasten in de bibliotheek, naar de stralend witte expositieruimte en naar de ruime foyer, die dankzij een pui van geel glas baadt in sfeervol licht. ,,Ik merk nu al dat we de aandacht trekken van het winkelend publiek'', zegt Lily van Ginneken, de altijd in het zwart geklede vrouw die Stroom sinds de oprichting in 1990 geleid heeft. ,,Ik verwacht dat we hier veel meer bezoekers zullen trekken.''

Behalve een nieuw pand heeft Stroom ook een nieuwe ondertitel gekregen: beeldende kunst t/m architectuur. De instelling die zich tot nu toe vooral richtte op kunst in de openbare ruimte, rekent voortaan ook bouwkunst tot haar takenpakket. Maar de grootste verandering is de directeurswisseling. Van Ginneken wordt opgevolgd door Arno van Roosmalen.

,,Het is een mooi moment om te stoppen'', zegt Van Ginneken. ,,Er is een nieuw gebouw, een nieuwe naam, en een nieuw beleidsplan voor de komende vier jaar.'' Morgen neemt ze afscheid, met een tentoonstelling van de Amerikaanse kunstenaar Carl Andre. Want, zegt ze, de conceptuele kunst uit de jaren zestig en zeventig is een belangrijke inspiratiebron geweest toen ze bij Stroom begon. ,,Ik laat een vloersculptuur zien die Andre in 1969 maakte voor het Haags Gemeentemuseum. Het leuke is dat hij daarvoor afvalmaterialen gebruikte die hij hier in Den Haag had gevonden.'' Tegelijkertijd is de keuze voor Andre een praktische. Van Ginneken: ,,Zijn werk stelt zich bescheiden op. Ik wilde de nieuwe expositieruimte niet meteen helemaal volzetten.''

Van Ginneken, die jarenlang als kunstcriticus werkte voor de Volkskrant en Kunstschrift, vertelt dat ze geen idee had waar ze aan begon, vijftien jaar geleden. ,,Ik had nog nooit een politicus de hand geschud. Die eerste jaren gingen niet zonder slag of stoot voorbij. Er moesten subsidieregelingen komen voor Haagse kunstenaars, een atelierbeleid ontwikkeld worden. De kunstenaars van toen meenden dat het hun bloedgeld was waarmee Stroom werkte – de BKR-regeling was net opgeheven. Het enige vrije gebied was de kunst in de openbare ruimte, daarvoor wilde de gemeente een nieuw beleid ontwikkelen. We hebben toen een aantal ideeën opgeschreven die ik ook in de jaren daarna steeds als uitgangspunt heb gebruikt: dat kunst in de openbare ruimte niet permanent hoeft te zijn, maar dat het ook de vorm kan hebben van bijvoorbeeld een publicatie, een experiment, of een lezing. Daarmee waren we de tijdgeest ver vooruit.''

Dat neemt niet weg dat Den Haag dankzij Lily van Ginneken een aantal fraaie, permanente kunstwerken rijker geworden is. Denk aan het sokkelplan van Peter Struycken, een galerij van veertig beelden rondom de Grote Kerk. Denk aan het Hemels Gewelf (1996) van James Turrell, een gigantische kunstmatige krater die is opgeworpen in de duinen bij Kijkduin. Of denk aan het gestileerde park dat Vito Acconci aanlegde in het water bij de Haagse Hogeschool.

Zelf vindt Van Ginneken het moeilijk om een voorkeur uit te spreken voor een project. ,,Het is het geheel waar ik met plezier op terugkijk. Er waren tentoonstellingen waarvan de intenties heel spannend waren maar die er niet zo geweldig uitzagen. We hebben altijd exposities gemaakt die iets studieus hadden, die onderzoekend waren. Niet echt kunst-tentoonstellingen, maar interdisciplinaire projecten die maatschappelijke zaken aan de orde wilden stellen, dat was typisch Stroom.''

Van Ginneken: ,,Ik zei altijd: we zijn pragmatisch conceptueel. Als de gemeente naar je toe komt met de vraag of je fietsenstallingen wilt maken, kun je zeggen: nee dat doe ik niet, daar zijn we te chic voor. Of je denkt: het is ons ding niet maar we gaan het ons ding maken. Dus komen er nu overal in de stad prachtige bewakershuisjes te staan, van kunstenaars als Urs Pfannenmüller, Dan Graham en John Körmerling. Je wordt gek van het overleg, bij elk hokje is het alsof je een villa wilt neerzetten. Maar ze worden wel spectaculair. Zo probeerde ik de grenzen op te rekken, kijken hoever je kunt gaan binnen de regels.''

Stroom, Hogewal 1-9, Den Haag. Inl: www.stroom.nl.