Waaier uit het oosten

HET MUSÉE ROYAL de Mariemont in het Belgische Morlanwelz bezit een bronzen flabellum (schijfvormige waaier) dat van groot belang is voor de studie van de christelijke kunst in het Midden-Oosten van de twaalfde en dertiende eeuw. De Waalse industrieel en kunstliefhebber Raoul Warocqué, postuum stichter van het museum, kocht het voorwerp in 1914 in Egypte. Aanvankelijk dacht men aan Koptische kunst, tot bleek dat de inscripties op het flabellum in het Oud-Syrisch waren. De Kopten en Oud-Syriërs zijn (net als de Armeniërs en Ethiopisch-Orthodoxen) sinds de ruzie op het concilie van Chalcedon in 451 over de twee naturen van Christus van de christelijke hoofdstroom afgescheiden. Opvallend is dat het flabellum in zijn iconografie (beeldtaal) christelijk is, terwijl diverse stijlkenmerken duidelijk van islamitische oorsprong zijn.

Na driekwart eeuw van academische veronachtzaming hebben de kunsthistorici Bas Snelders en Mat Immerzeel, bijgestaan door de Oud-Syrisch-specialist Lucas Van Rompay, het flabellum uit Mariemont alsnog diepgaand onderzocht. De uitkomsten, die de heersende opinie over dit soort kunstvoorwerpen onderuit halen, zijn gepubliceerd in het eerste nummer van het nieuwe wetenschappelijke tijdschrift Eastern Christian Art. Het is het enige periodiek dat zich specifiek richt op de materiële cultuur van het christelijke Midden-Oosten. Bovendien is het geheel in kleur.

Het flabellum, een ronde schijf (diameter 47 cm) aan een houder met knop en bijna twee kilo zwaar, stak op een houten steel. In het midden beeldt een medaillon de maagd Maria met het kind Jezus uit, terwijl de rand versierd is met een Oud-Syrische inscriptie. Uit de tekst valt af te leiden dat het object in 1202/03 gemaakt is en bestemd was voor het Oud-Syrische klooster in Deir al-Surian, gelegen in de Egyptische woestijn tussen Kaïro en Alexandrië. Van oorsprong was een flabellum bedoeld om tijdens de eucharistieviering insecten weg te houden bij hosties en miskelk. Later kreeg hij een meer ceremoniële functie en werd ook gebruikt bij de inwijding van bisschoppen, de installatie van diakenen en bij processies.

De Maagd op het medaillon, gezeten op een troon en op haar linkerarm het Kind, is van een bepaald iconografisch type, Hodegetria geheten (naar een klooster in Constantinopel). Iconografische en stilistische parallellen tussen het medaillon en Koptische voorstellingen van Maagd en Kind zijn er nauwelijks, terwijl die juist wel aanwijsbaar zijn in twee dertiende-eeuwse manuscripten geproduceerd in de omgeving van Mosul (Noord-Mesopotamië) ten behoeve van de Syrisch-Orthodoxe Kerk. De aldaar voorkomende Hodegetria vertonen Byzantijnse én islamitische kenmerken. Oosters-christelijk zijn bijvoorbeeld het handgebaar van de Maagd, de positie van het Kind en de aanwezigheid van een voetsteun. Maar de uitvoering van de troon (rechthoekige leuning) en de gezichten (smalle mond en neus, S-vormige wenkbrauwen, dunne snorren) zijn weer typisch islamitisch, zoals valt na te gaan in seculiere Arabisch-Mesopotamische manuscripten uit die tijd. Ook versieringen op het flabellum (spiraalvormige stengels, hoekige bladeren) zijn islamitisch.

Betekent dit dat de koperslager die het flabellum fabriceerde moslim was? Er bestaan 13de-eeuwse bronzen en koperen vazen uit Syrië en Noord-Mesopotamië die een zelfde eclecticisme te zien geven: ze zijn ingelegd met zilveren versieringen die christelijke en islamitische thema's uitbeelden. Eigenaars en kopers zijn meestal onbekend, maar in twee gevallen is duidelijk dat de vazen voor de sultan waren. Dit magere gegeven deed bij kunsthistorici de gedachte postvatten dat dit soort objecten altijd voor moslims bestemd was. De christelijke elementen zouden die moslims herinneren aan hun hegemonie over de christenen.

Met de duiding van het flabellum van Deir al-Surian is die opvatting niet vol te houden. Zeer waarschijnlijk is de waaier in de omgeving van Mosul gemaakt, waar moslims en christenen zij aan zij in dezelfde werkplaatsen opereerden in opdracht van lokale autoriteiten. Overigens was dat in Libanon en Syrië in de schilderkunst toen eveneens het geval. Maar hoe kwam het flabellum in Egypte? Deir al-Surian was aldaar een Oud-Syrisch bruggenhoofd (in het bezit van een rijke bibliotheek) dat alleen kon voortbestaan dankzij een continue instroom van Syrisch-Orthodoxe monniken uit het buitenland, vooral uit Mesopotamië. Manuscripten en inscripties op wandschilderingen in Deir al-Surian getuigen van een forse toeloop in de periode 1150-1250. De jaren rond de eeuwwisseling, toen de Ayyubieden de macht grepen en Egypte, Syrië en een deel van het kruisvaardersterritorium verenigd werden, was een tijd zonder oorlog waarin monniken vrijuit konden reizen. Een goede kans dat het flabellum toen de oversteek maakte van een Oud-Syrisch klooster bij Mosul naar dat in Deir al-Surian.

Eastern Christian Art in its Late Antique and Islamic Contexts, zoals de volledige titel van het nieuwe tijdschrift luidt, is een initiatief van het Paul van Moorsel Centrum voor Christelijke Kunst en Cultuur in het Midden-Oosten van de Universiteit Leiden. Het vervangt een in eigen beheer uitgegeven veel eenvoudiger tijdschrift, opgezet om lokale beheerders van oost-christelijke kunstcollecties ondersteuning te bieden bij hun opleiding. Dat tijdschrift werd ook in wetenschappelijke kring zeer gewaardeerd. Zozeer dat Peeters er brood in zag.

tijdschrift: eastern christian art in its late antique and islamic contexts. verschijnt eenmaal per jaar. no 1, 2004. uitgeverij peeters, leuven. prijs: €60