Verlatenen in een zinderend maanlandschap

De baai van Leupueng aan Atjehs westkust oogt idyllisch. Maar dichtbij gekomen blijkt de tsunami van een lint van dorpen in de kuststrook niets meer te hebben overgelaten. Er zijn geen daken, geen muren, alleen de kaap in de nevelige verte.

Het bruggenhoofd van Lhok Nga, het noordelijkste stadje aan Atjehs westkust, is het eindpunt van menige excursie. Ambtenaren en stafleden van hulporganisaties uit Banda Atjeh komen er kijken naar de totale verwoesting. Lhok Nga, vóór de vloedgolf van tweede kerstdag een Indonesisch garnizoensstadje annex badplaats, met kazernes, een school met internaat, levendige markten, hotelletjes en een golfbaan, bestaat niet meer. De brug over de Krueng Raba is weggeslagen en hier houdt het autoverkeer op.

Zwaar bewapende soldaten en een enkele motorrijder steken over met een vlot van oliedrums en planken. Zij komen niet verder dan twee kilometer. Vanaf dat punt vallen er in het asfalt zulke diepe kloven dat het ook voor motoren onbegaanbaar wordt. De cementfabriek PT SAI staat nog overeind en het wemelt er van de soldaten. Het terrein is uitvalsbasis voor patrouilles in de nabije bergen, waar zich rebellen ophouden van de Beweging Vrij Atjeh (GAM). Wie verder wil langs de westkust, moet lopen. Maandagochtend 11 januari beginnen fotograaf Geert van Kesteren en ik onze mars naar het zuiden.

We passeren groepjes soldaten, die uitrusten langs de weg. ,,Salam, heren, alles veilig?'' Zij groeten terug: ,,Alles veilig, doorlopen maar.'' Het gehavende asfalt klimt over een kaap. Boven ontrolt zich een lieflijk panorama. Op deze afstand oogt de baai van Leupueng idyllisch als vanouds. We zien de zee, de beboste bergen en aan de horizon de contouren van de volgende kaap.

Halverwege de afdaling slaat de bekoring om in afgrijzen. In de smalle kustvlakte lag ooit een lint van dorpen die leefden van de visvangst en wat natte rijstbouw. Van die kampongs is niets meer over, helemaal niets. Het district Leupueng is woest en ledig.

Hier, in het noorden van Leupueng, stond aan de zeezijde een pesantren (islamitisch internaat). Zestig leerlingen kregen er les van twee imams. Wat rest van de school is verspreid wrakhout. Daarin zijn hier en daar takken gestoken met omgekeerde plastic emmertjes.

Uit een tent in de lege vlakte komt een jongeman met een wit kalotje. Hij begroet ons en zegt: ,,Van de leerlingen zijn er nog drie in leven, de imams zijn dood. Wij zoeken naar de lichamen, om ze te begraven.'' De staken met emmertjes geven aan waar lijken liggen. De man met kalot wijst ons het half verteerde lichaam van een vrouw in bloemetjesjurk. Zij ligt daar al twee weken. Na een kort bezoek aan de tent, waar vrome mannen uitrusten van een helse taak, lopen we verder.

Op het asfalt staan nog de strepen van een zebrapad, oversteekplaats van niets naar niets. De brug over de Krueng Riting ligt in de luwte van een rotsheuvel in zee, ooit begroeid met kokospalmen, nu een kale klomp. De brug is er nog, maar moet worden beklommen. Het vergezicht beneemt ons de adem. Voor zover het oog reikt een zinderend maanlandschap, boomloos, geen daken, geen muren, alleen de kaap in de nevelige verte. ,,Hiroshima'', denk ik hardop; ik ken uit eigen waarneming geen vergelijkbaar tafereel.

Voorbij de brug is de weg overwoekerd door een wirwar van ontwortelde bomen en de resten van houten huizen. Hier is geen doorkomen aan. Aan de voet van de heuvels, links, loopt een rijtje mannen onze kant op. Zij komen uit het district Lhoong, voorbij de verre kaap, en lopen naar Banda Atjeh. Honderden overlevenden zijn hen voorgegaan en we zullen er nog tientallen tegenkomen.

De lopers hebben een pad gebaand aan de landzijde van de verdwenen kustweg, waar ooit rijstvelden lagen. Het voert over half weggeslagen dammetjes, tussen door mensen- en dierenlijken verontreinigde poelen, hier en daar overbrugd met wankele planken en gladde palmstammen. Atjehers nemen die horden met een verbluffend evenwichtsgevoel. Met bepakking, apparatuur en liters water valt het niet mee een val in het vochtige bederf te voorkomen.

De hemel boven de bergen wordt donker en rond drie uur begint het te regenen. De kaap vóór ons verdwijnt in een grijze nevel; daar moet het plenzen. Een eenzame boom biedt geen beschutting en we lopen door. Na een half uur stuiten we op de resten van een wegdek, waarschijnlijk een dorpsstraat. Deze stenen vlakte, realiseer ik me, was de hoofdplaats van Leupueng. Rechts van de weg, midden in het niets, ontwaren we twee blauwe tentzeilen. Een man loopt met uitgestoken hand op de doorweekte reizigers af en noodt hen binnen.

Onder het tentzeil zitten twaalf mannen. Ze komen uit Leupueng, maar bijna iedereen was tijdens de zondvloed elders. Als gastarbeider in Maleisië, als bosarbeider in Riau of als chauffeur op de weg. Ze zijn teruggekomen om te zien wie er nog leefde. De conclusie was ontstellend: nagenoeg niemand. Eén van de mannen heeft de vloedgolf overleefd. Hij klampte zich vast aan een mangoboom en werd tegen de voet van de heuvels gesmeten. Ook hij heeft zijn hele familie verloren. In de twee tenten bivakkeren 25 mannen, allen wezen en weduwnaars, kinderloos, zonder broers of zusters.

Verderop kamperen twee andere groepjes; bij elkaar zo'n honderd overlevenden. Zij zijn na `thuiskomst' gebleven om te zoeken naar lichamen en die fatsoenlijk te begraven.

Na de ramp landde tussen de resten van Leupueng éénmaal een Amerikaanse marinehelikopter. Die bracht 20 dozen met koekjes, in plastic verpakte instantrijst, 8 jerrycans drinkwater en een paar honderd lijkzakken. Rubber handschoenen of kaplaarzen, om de lijkbezorgers te beschermen tegen infecties, waren er niet bij. Sindsdien hebben de mannen niemand meer gezien: geen soldaat, geen vrijwilliger van elders, geen buitenlandse hulpverlener, geen journalist. Zij teren al twee weken op die ene dropping en hebben intussen, op teenslippers en met minimale middelen, honderden lichamen geborgen.

Na een uur betreedt een man in korte broek de tent. Hij gaat bij ons zitten en vertelt, zijn stem omfloerst door verdriet. Mohammed Nasir (42) werkte als operator in de cementfabriek van Lhok Nga toen de tsunami toesloeg. Hij vluchtte de heuvels in, liep naar Banda Atjeh en toen hij de verwoesting zag, sloeg hem de angst om het hart. De volgende dag bereikte hij te voet Leupueng. Daar bleek alles en iedereen weg: zijn vrouw, zijn drie kinderen, onder wie een tien maanden oude baby, en zijn nieuwe huis aan zee, waarvoor hij jaren had gespaard. Van zijn familie rest alleen een zoon van zijn zuster. Neef, die ook bij PT SAI werkt, hurkt naast oom Mohammed, zijn laatste verwant.

Nasir, de meest geschoolde van het groepje: ,,In het district Leupueng woonden 13.000 mensen. Daarvan zijn er nog 800 in leven, 600 zijn naar opvangcentra gelopen en de rest zoekt, net als wij, naar de doden.''

Muzammil Akbar, een scholier, schampert: ,,Indonesië huilt, het zou wat''. Hij doelt op het non-stopprogramma van Metro TV, dat al weken geldt inzamelt voor de tsunami-slachtoffers. ,,Waar zijn de vrijwilligers uit Jakarta, die goede sier maken in Banda Atjeh? De lijkzakken zijn op, uit onze put komt zout water en we leven op koekjes en rijst.'' De mannen mompelen instemmend.

We brengen de nacht door met onze gastheren. Het geluk is met ons, want de andere tent is lek. Door de opening zie ik iemand regelmatig een lap uitwringen.

Voordat de zon opkomt boven de heuvels, drinken we op een houtvuurtje bereide koffie. Ik wandel naar de branding en draai me om. In de kale vlakte zie ik de woestijn, in het tentenkamp een bedoeïenenbivak.

Op dit vroege uur vliegen helikopters af en aan. ,,Als u nu eens zwaait'', zegt Muzammil, ,,dan landen ze misschien.'' Ik leen zijn sarong en zwaai langdurig. De helikopters vliegen door.

Nasir komt op me af en zegt zacht: ,,Ik heb mijn buurmeisje gevonden; ik herken haar kleren.'' Wij volgen hem. Een man met een hak en een zwarte plastic zak loopt mee. We klauteren over fundamenten, over een blauw betegelde badkamervloer, en dan wijst Nasir: ,,Daar stond mijn huis.''

Dichtbij de branding, tussen slierten palmbladeren, ligt een kinderlijkje. Het oogt als een kapotte pop, de voeten zijn weg, om het rompje zit nog een fleurig T-shirt, van het hoofdje rest een gebleekt schedeltje. Nasir knielt en zingt een strofe uit de koran. De andere man tilt de broze resten voorzichtig op het plastic. Als hij de zak dichtvouwt, slaat Nasir de handen voor zijn gezicht. Dit was het speelkameraadje van zijn dochtertje.

Een derde man schiet te hulp en graaft met de hak een grafje in het zand.

    • Dirk Vlasblom