Strijd voor het beroepsonderwijs

,,De situatie rond probleemleerlingen in Nederland is zeker zorgelijk. Maar de moeilijkheden met deze groep scholieren zijn niet ernstiger dan in andere Europese landen'', zegt Johan van Rens vanuit zijn kantoor in het Griekse Thessaloniki.

In Nederland werd eerder deze week bekend dat het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) voor 20 procent van de leerlingen te hoog gegrepen is. Ruim 100.000 scholieren kampen met leer- en gedragsproblemen. De grote vraag voor Van Rens is: wat valt eraan te doen? ,,Daar proberen wij met ons Europese centrum in Thessaloniki het nodige aan bij te dragen.''

Johan van Rens (58) is directeur van het Europese Centrum voor de Ontwikkeling van de Beroepsopleidingen. Een centrum waarbij alle 25 leden van de Europese Unie inclusief Noorwegen en IJsland zijn aangesloten.

Naast het managen van het instituut met zo'n 130 werknemers in Thessaloniki, brengt Van Rens belanghebbenden in het beroepsonderwijs in de Europese landen met elkaar in contact. Dagelijks komen 80.000 tot 90.000 elektronische vragen bij het datanetwerk van zijn centrum binnen.

,,We zijn een kenniscentrum dat onderzoeken naar alle vormen van beroepsonderwijs, van Engeland tot Tsjechië, inventariseert en mensen van informatie voorziet. Tegelijkertijd proberen we mensen in de verschillende landen aan elkaar te knopen omdat het leerzaam is problemen en oplossingen uit te wisselen'', zegt Van Rens. Hij noemt dat `netwerken bouwen' van wetenschappers, leraren, ambtenaren, maar ook ondernemers en vakbondsvertegenwoordigers.

Hoe vraag en aanbod op de arbeidsmarkt beter op elkaar af te stemmen, is de grote vraag die alle Europese landen bezighoudt. ,,Europa heeft onvoldoende goed opgeleide werknemers om de banen van de toekomst te bezetten'', zegt Van Rens, oud-medewerker van de FNV. Vorige maand presenteerde hij tijdens een congres in Maastricht over beroepsonderwijs alarmerende cijfers. Europa heeft teveel laag opgeleide werknemers (ruim 30 procent) en veel te weinig hoog opgeleide werknemers. De helft van de werknemers moet zijn kennis verbeteren. Hoe, komt dagelijks in zijn werk aan de orde. Niet alleen bij zijn instituut in Thessaloniki, ook in Brussel. Want Van Rens is minstens twee keer per maand in de Europese 'hoofdstad'. Hij houdt nauw contact met vertegenwoordigers van de Europese Commissie, met Europarlementariërs, met directeuren-generaal van ministers van onderwijs en hij zit in de EU-werkgroep voor de ontwikkeling van een Europees kwalificatieraamwerk, zodat vaardigheden vergeleken kunnen worden.

Deze maand staat de feestelijke lancering van de Euro-pas in Luxemburg op de agenda van Van Rens. Erkenning van diploma's is in Europa nog altijd een heet hangijzer. ,,Met een Euro-pas, waarin sociale- en beroepskwalificaties staan, moet iedere werkgever in ieder geval in een oogopslag zien wat iemand kan.'' Belangrijk om de mobiliteit te vergroten, want minder dan 2 procent van de Europeanen werkt in een ander EU-land.

Volgende week staat in het teken van het Europees Parlement. Als beheerder van een jaarlijks budget van 16 miljoen euro moet Van Rens verantwoording afleggen aan de parlementscommissie voor Begrotingscontrole. Ook zal hij de Commissie Sociale Zaken van het Europees Parlement over de activiteiten van zijn instituut informeren omtrent de relatie beroepsonderwijs en werkgelegenheid. ,,We hoeven niet overal in Europa hetzelfde beleid te hebben, maar we kunnen veel van elkaars fouten leren.''

    • Michèle de Waard