Ook sport is geregeld in de Europese grondwet

De Europese grondwet kan de bestaande bemoeienis van Brussel met sport in de lidstaten vergroten.

De Europese grondwet is dit jaar inzet van referenda in allerlei landen, waaronder Nederland. De uitkomst is lang niet zeker. Één sector hoopt in elk geval op een positieve uitslag: de sport. Dat bleek onlangs op een seminar van het T.M.C. Asser-instituut voor internationaal recht in Den Haag.

De Europese grondwet wijdt een aparte bepaling aan de sport; een primeur in de geschiedenis van de Europese Unie. Artikel III-282 stelt dat ,,de EU bij zal dragen aan de bevordering van Europese sportzaken, daarbij rekening houdend met de specifieke aard van sport, de structuren die zijn gebaseerd op vrijwilligerswerk en haar sociale en educatieve functies''.

De afwezigheid van een formele Europese bevoegdheid was overigens tot nog toe geen beletsel voor bemoeienis van de EU met de sport, blijkt uit een overzicht van A.P.L. Vermeersch in het Nederlands tijdschrift voor Europees recht. Het begon met het Bosman-arrest van het Europees Hof van Justitie uit 1996 (clubs ontvangen geen geld meer voor de spelers van wie het contract is afgelopen), waardoor het transfersysteem in het beroepsvoetbal werd opengebroken. Het Hof maakte duidelijk dat sport als economische activiteit onderworpen is aan communautaire spelregels.

Deze beslissing vormde de opmaat voor actief optreden van de Europese Commissie als hoedster van deze spelregels, in het bijzonder het algemene beginsel van vrije mededinging. Zo stak de Commissie een stokje voor de verkoop van tv-rechten op de Champions League in één exclusief pakket aan één zender per land, omdat dit een te grote beperking van de concurrentie zou zijn. Na onderhandelingen werd met de Europese voetbalbond UEFA een akkoord bereikt over opsplitsing van de rechten in drie pakketten.

Ook het meervoudig eigenaarschap van voetbalclubs, de regels voor voetbalmakelaars en de ticketverkoop bij grote evenementen als de Olympische Spelen hebben geleid tot interventies uit Brussel. En dan is er het hete hangijzer van overheidssteun voor voetbalclubs in financiële perikelen. Hier botst de Europese benadering van (top-)sport als economische activiteit met de diepe maatschappelijke wortels van veel voetbalclubs.

Deze banden komen tot uitdrukking in gekoesterde historische namen als Schalke '04, Manchester United en Feyenoord.

Op dit speciale karakter van de sport(club) wordt graag een beroep gedaan ter rechtvaardiging van overheidssteun bij de bouw van moderne stadions of het afdekken van exploitatiekosten. Europeesrechtelijk gezien is dergelijke steun zonder meer verdacht, tenzij ze valt binnen een strikt referentiekader. Nadat Nederland in 2002 tot de orde was geroepen door Brussel, is dat kader er medio vorig jaar gekomen.

Het gaat niet alleen om het voetbal met zijn grote emotionele en commerciële belangen. In 2003 gaf het EU-Hof de Slowaakse handballer Maros Kolpak gelijk die onder contract stond bij een Duitse club. Kolpak maakte bezwaar tegen een beperking van het aantal spelers van buiten de EU in competitiewedstrijden. Dit was een speciaal geval wegens een akkoord tussen de EU en Slowakije, dat toen nog geen lid van de EU was.

De implicaties van de uitspraak gaan verder, concludeerde Stefaan van den Bogaert van de Universiteit Maastricht. Hij voorspelde dat deze uitspraak het einde inluidt van discriminatie naar nationaliteit bij clubs. Ook de benadering die de advocaat-generaal bij het EU-Hof deze week koos in de zaak van de Russische voetballer Igor Simutenkov wijst in die richting. En dat terwijl bondscoach Marco van Basten (met steun van de UEFA) juist wil dat Nederlandse eredivisieclubs minstens 5 of 6 Nederlandse spelers moeten opstellen.

Toch erkende het Hof in de zaak-Kolpak dat de sport geen gewone bedrijfstak is. Een interessante vraag is of het eigen plaatsje voor de sport in de eurogrondwet haar uitzonderingspositie versterkt of juist het belang van de algemene regels onderstreept.

De grondwetsbepaling maakt in elk geval Europese steunprogramma's voor de (amateur)sport mogelijk. In 1998 moest de Commissie zo'n programma nog afblazen van het Hof omdat de vereiste juridische basis voor het benodigde budget ontbrak. De grondwet – als die doorgaat – kan daarin voorzien.

    • F.Kuitenbrouwer