Hulpsupermarkt

In het Zaterdags Bijvoegsel van vorige week stond onder de kop `In de hulpsupermarkt' een verhaal over organisaties die over elkaar heen tuimelen bij rampen. Onder meer werd de situatie in Goma (Zaïre) genoemd als een voorbeeld van die situatie.

Zelf heb ik van eind juli tot eind oktober 1994 een drietal maanden voor de medische hulorganisatie Memisa in Goma gewerkt. Als logistiek medewerker van het eerste team dat arriveerde, heb ik in frontlinie gewerkt. Zelf heb ik een ander beeld overgehouden van hoe er gewerkt is dan in uw krant is beschreven. Vooral de stelling dat de dood van 50.000 mensen voorkomen had kunnen worden door een betere afstemming van de hulporganisaties behoeft commentaar.

Bij elke ramp is er een fase van chaos. In 1994 streken in korte tijd ongeveer 1 miljoen mensen neer in en rond de stad Goma in Oost-Zaïre. De meesten waren uitgeput van de lange voettochten. Veel van hen waren besmet waren met hiv. Ze streken neer op de vulkaanhellingen, waar in het begin geen voorzieningen waren als water en latrines en waar 's avonds de temperatuur flink daalde.

De dood van 50.000 mensen moet dan ook in dat licht worden bezien. Verreweg het grootste deel van dat aantal stierf namelijk in de eerste twee weken.

Op het moment dat het eerste team in Goma arriveerde via een Hercules van het Nederlandse leger, waren al afspraken gemaakt door een lokale Memisa-medewerker en een toevallig in dat gebied reizende stafmedewerker van het Rotterdamse kantoor met UNHCR en de WHO. Onze medische activiteiten zouden zich gaan richten op een deel van één van de vluchtelingenkampen en het ondersteunen van de reeds aanwezige medische structuur van onze Zaïrese counterpart dat zwaar was overbelast. Voor de goede orde: in het kamp waar we actief waren verbleven naar schatting 200.000 mensen.

In het begin werden dagelijks onder leiding van UNHCR en WHO de zaken afgestemd. Het beeld dat alle organisaties maar lukraak aan het werk waren klopt dan ook niet. Ook het beeld dat hulporganisaties alleen maar bezig waren met eigen profilering is bezijden de waarheid. Ik zie mezelf nog steeds bezig met het afstemmen van het gebruik van vrachtwagens met Artsen zonder Grenzen, met het krijgen van tenten en wateropslagtanks van UNICEF, met het regelen van werkzaamheden en transporten door het Nederlandse leger, met het wegbrengen van een vluchteling die in het Israëlische kamp geopereerd kon worden, etc. Ook werden door Duitse hulpverleners latrines aangelegd bij ons tentenhospitaal middenin het kamp.

Natuurlijk is het vreselijk dat er toentertijd zoveel mensen zijn gestorven. En misschien had met een nog strakkere en snellere organisatie een deel van deze mensen het overleefd. Maar in een dergelijke situatie is er altijd enige tijd nodig om de hulpverlening te organiseren en ter plekke te brengen. Wie dat vergeet en simpel zegt dat de dood van 50.000 mensen voorkomen had kunnen worden als hulporganisaties hadden samengewerkt, heeft geen oog voor de realiteit van dergelijke rampsituaties.

    • Lucas Bolsius