Red onze jeugd

In mijn middelbare-schooltijd dat was in de jaren tachtig van de vorige eeuw kon je een aantal soorten jongeren onderscheiden. Een soort kleurde en toupeerde het haar, hulde zich in zwartlederen jacks met daarop buttons met teksten gespeld, droeg legerkistjes en noemde zich anarchist. Deze jongeren waren links, antifascistisch, tegen het imperialisme en het kapitalisme.

Er waren ook jongeren die zich in merkkleding hulden. In die tijd waren dat de merken Robe di Kappa en Lacoste, respectievelijk herkenbaar aan twee rug aan rug zittende figuurtjes en een krokodil. Deze jongeren werden door de eerste soort nogal stom gevonden. Massamensen, geen eigen denkbeelden en consumptiegericht.

Dan waren er ook nog jongeren met kale hoofden en schoenen van het merk Doc. Martens. Die waren meestal rechts en tegen buitenlanders, al kon je je daar behoorlijk in vergissen. Droegen ze rode veters in hun schoenen, dan waren ze links georiënteerd en droegen ze een andere kleur veters, dan betekende het dat ze tegen Pakistanen waren.

Dat was natuurlijk een beetje raar, want zoveel Pakistanen waren er toen (en nu nog altijd) niet in Nederland, maar het bleek dat dit standpunt was overgenomen van Engelse jongeren die de Nederlandse jongeren via internationale voetbalwedstrijden leerden kennen. Dat ging toen zo, er was nog geen internet, al keek iedere jongere daar natuurlijk ongeduldig naar uit. Het zou nog lang duren. De Muur was nog niet eens gevallen.

Ook waren er jongeren die niet bij de hier genoemde soorten waren in te delen. Jongeren met stomme kleren, met hoofddoekjes, zwarte jongeren, jongeren in spijkergoed die van hardrock hielden, new wave jongeren. Alle soorten jongeren vochten met elkaar, gingen vriendschappen met elkaar aan en deden verder de dingen die jongeren nu eenmaal doen. Soms kwam er een journalist van het Algemeen Dagblad of van het inmiddels verdwenen Vrije Volk en die wilde dan een reportage maken over jongeren in de stad Rotterdam. Dat was lachen. Wij jongeren putten ons eensgezind uit om zo extreem mogelijk, anarchistisch, fascistisch of merkgericht over te komen. Hadden we weer zo'n tut van de krant in verwarring gebracht.

Zoals gezegd, het waren de jaren tachtig en dat is globaal de periode waar in deze tijd door veel mensen het begin van de problemen van de multiculturele samenleving wordt geplaatst. Vanaf die tijd zou met name de PvdA het allemaal hebben laten lopen, waardoor we nu in chaos en ellende leven. De hedendaagse jongerencultuur weerspiegelt de verstoorde verhoudingen in deze maatschappij, zo houden de huidige professionele paniekzaaiers ons voor. De jongeren van nu zijn Marokkaanse probleemjongeren, hoofddoekdragende moslimmeisjes, Lonsdale-dragende neonazi's en Karl Kani-dragende zwarte asielzoekers en witte Nederlanders die zich aangetrokken voelen tot de urbane hip-hop-cultuur.

Al deze uitingen van jongerencultuur behoren, zo kan men via de media en de daarin geventileerde uitlatingen van beleidsmakers, horeca-uitbaters en leraren vernemen, tot de grootstedelijke problematiek. Dat is opmerkelijk. Er is een grote-stedenbeleid in Nederland, omdat het zo is misgegaan met de multiculturele samenleving, maar Nederland kent geen echte grote steden. Er is sprake van een verbod op kleding van de als urbaan aangemerkte merken Lonsdale en Karl Kani, maar dat is dan weer meestal van kracht op het platteland.

Tekenend voor de verwarde discussie die voortkomt uit de neiging om Nederland als een grote stad in plaats van als een dorp te beschouwen, is dat de discussie over het verbod van een merk als Lonsdale nogal eens wordt gekoppeld aan het debat over een verbod op hoofddoekjes. Dat is een ingewikkelde kwestie. Aan de ene kant zijn er mensen die zowel Lonsdale als de hoofddoekjes beschouwen als deel van een provocerende jongerencultuur. Als je het daar mee eens bent, zou je je kunnen afvragen of je die jongeren maar niet gewoon moet laten uitrazen en moet laten dragen wat ze willen. Maar er is ook een tendens om zowel het dragen van Lonsdale als het dragen van een hoofddoekje te zien als uiting van een agressief en bedreigend antidemocratisch gedachtegoed.

Dat is in sommige gevallen juist, maar in de meeste gevallen niet. Het is in ieder geval een generalisering die in geen enkel opzicht bijdraagt aan de oplossing van de problemen. Ook niet als het wel waar zou zijn dat die jongeren die dergelijke kledingstukken dragen, allemaal antidemocratisch zouden zijn. Neem je de kleding weg door een verbod, dan gaan ze daardoor nog niet anders denken of handelen. En het probleem wordt steeds erger. Jongerencultuur wordt nu niet meer gezien als wat het is: een cultuur van jongeren met daarbij behorende muziek en kleding.

Die cultuur wordt meer nog dan de jongeren zelf doen door volwassenen gekoppeld aan nationaliteit, religie en cultuur. De jongeren worden daarmee uitgenodigd hetzelfde te doen. Ze worden als het ware uitgedaagd, zoals ik in mijn middelbare-schooltijd door de journalisten, om zichzelf nog extremer te presenteren dan zij in werkelijkheid zijn.

Tegelijkertijd wordt van alle jongeren verwacht dat zij zich ontwikkelen tot volwassenen die de Grondwet respecteren. Maar goede en duidelijke voorbeelden zijn er niet. De mensen die hen daartoe zouden moeten uitnodigen gaan zelf zover om de Grondwet zo nodig aan hun laars te lappen als dat nodig is om jongeren in hun extreme uitingen aan banden te leggen.

Geert Wilders wil een harde aanpak van allochtone jongeren of van kinderen van allochtone ouders. Hij vindt dat de daden van vervelende allochtone jongeren als terrorisme moeten worden beschouwd en dus de allochtone jongeren als terroristen moeten worden benaderd. Om dit mogelijk te maken, is hij bereid om daartoe het verdrag van de Rechten van de mens op te zeggen en de Grondwet te wijzingen.

Hoe verkoop je dat nu aan jongeren die maar om de oren worden geslagen met onze Grondwet en dat ze die hebben te respecteren? Dat lukt niet. Geert Wilders is daarom meer nog dan alle Lonsdale-, hoofddoekjes- en Karl Kani-jongeren een gevaar voor de samenleving. Bovendien is hij een slecht voorbeeld voor onze jeugd. Als ik een jongere zou zijn, zou ik er hard om moeten lachen.

    • Amanda Kluveld