Overspel met de pianostemmer

Het lijkt een Chinese spreuk of een Afrikaanse volkswijsheid, en het zijn de kernzinnetjes uit Harrie Geelens eerste novelle voor volwassenen: `Op de rug van het nijlpaard Ellende zitten kleine vogels. Die pikken wat grappig is op.' Geelen heeft ze waarschijnlijk niet zelf verzonnen, de hoofdpersoon van Het nijlpaard Ellende schrijft dat ze in zijn agenda staan. Maar de achterliggende gedachte is duidelijk: al is de ellende nog zo groot, verlies nooit je vermogen om er de humor van in te zien.

Geelen etaleert dat vermogen volop in Het nijlpaard Ellende. De verteller van het verhaal, die evenals Geelen net voor de Tweede Wereldoorlog in Heerlen geboren is, krijgt op zijn twaalfde een beduidend grotere portie ach en wee te verwerken dan de doorsnee puber. Hij kampt met bedplassen, nachtmerries, pesterijen en een onaantrekkelijk uiterlijk, zijn leraar Latijn sterft in de klas aan een hartaanval, een speelkameraadje wordt overreden door een ijskar (en híj krijgt de schuld), een klasgenoot wordt op een vol schoolplein dodelijk geraakt door een vallende bel uit de klokkentoren, en tot overmaat van ramp ontdekt hij dat zijn moeder overspel pleegt met de pianostemmer. Toch houdt Sep Paffen er de moed in – althans zo lijkt het, want hij boekstaaft zijn treurige leventje met zelfspot en veel (onbedoelde) humor.

De eerste zinnen van het boek zijn in dit opzicht veelzeggend. `Ik heb altijd het gevoel dat spiegels zich vergissen wanneer ik erin kijk,' schrijft Sep, die zeker weet dat hij er `eigenlijk anders' uitziet. Die flaporen kunnen zo erg niet zijn, en zijn gezicht is veel rustiger en regelmatiger: `De etalagepoppen uit de steunkousenwinkel hebben zulke gezichten.' En dan concludeert hij moedeloos: `Ik dacht dat een spiegel misschien preciezer zou worden als je ouder werd. Ik ben nu bijna dertien en er is nog steeds geen spiegel die klopt.'

Voor de liefhebbers van het werk van Harrie Geelen, de schrijver van scenario's voor legendarische televisieseries als Q & Q en Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen mijnheer en van een aantal wonderschone kinderprentenboeken, komen dit soort laconieke zinnetjes niet als een verrassing. Hamelen zat er vol mee, en van het voorlezen van Jan en het gras (1995) herinner ik me mooie wendingen als: `Niks is wat je niet vast kan pakken. En wat er zit in de stoel van oma, nu oma dood is.' Maar in Het nijlpaard Ellende dient de stijl om de tragiek te overstemmen. Meteen na de spiegelreflecties volgt de mededeling `Ik weet eigenlijk niet waarom ik dit vertel. Ik heb waarempel wel wat anders aan mijn hoofd.' Waarna heel in het kort het verhaal van moeders bedrog volgt en vooral dat van Seps boosheid en zijn verlegenheid met de situatie. Moet hij het zijn vader vertellen? En hoe dan? En kan hij het volhouden om kwaad te blijven op zijn moeder?

Hoeveel leed er ook figureert in Het nijlpaard Ellende, een spectaculair boek is het niet. Seps ouders gaan uit elkaar, maar besluiten het op het eind van het boek toch weer met elkaar te gaan proberen; en na de drie sterfgevallen wordt gewoon verder geleefd. Het gaat in de novelle om de manier waarop Geelen het annus horribilis uit Seps leven beschrijft, en om het sfeervolle beeld van katholiek Limburg in de vroege jaren vijftig. Geelen beperkt zich niet tot voordehandliggende verwijzingen naar Kuifjestrips, paard-en-wagens of de films van Doris Day, maar tekent de tijd door middel van tegendraadse details. Zo wordt het overspel van Seps moeder door zijn grootste kwelgeest ontdekt doordat de pianostemmer een auto heeft; telkens dezelfde auto in de lege straten van het kleine stadje (waar de kinderen `wie-noteert-de-meeste-nummerborden' spelen), dat valt op. En de verplichte wekelijkse biecht rijst in al zijn onbenulligheid op als Sep vertelt dat er keuze was uit twee geestelijken van wie er één als goeiig gold; wie haast had en de rij wilde ontlopen, veroordeelde zichzelf tot de slechte adem en strenge straffen van kapelaan van Enteren.

`Ik vroeg me af of je als je echt doodzonden beging, daaraan zou wennen, zoals een smid aan hete ijzers. Of je een vuurvaste ziel zou kunnen krijgen.' Het zijn niet de enige vragen waarmee Sep worstelt. Want wat is eigenlijk een zonde? Waarom zegt zijn vader woedend dat hij moet biechten wanneer Sep bij het eten van een kadetje zegt `Net tante Herma' omdat het mollige deeg hem doet denken aan de boezem van de buurvrouw? En waarom nam de rector juist Sep apart om hem een vaag verhaal te vertellen over boterbloemen, dikke hommels en ongelukkige meisjes? – een verhaal waarin over verliefdheid van jongens op jongens niet gerept werd? (`Waarschijnlijk kwam het bij de boterbloemen niet voor.')

Harrie Geelen beschrijft Seps gedachten in eenvoudige zinnen en korte alinea's, die gelukkig nooit verworden tot het `enterproza' (effectbejag met behulp van eenzinsalinea's) dat een paar jaar geleden mode was in de Nederlandse literatuur. De 65-jarige Geelen is dan ook geen echte debutant, hij heeft al een leven lang bewezen dat hij kan schrijven. Toch zijn er in zijn eerste proza voor volwassenen wel beginnersfeilen aan te wijzen. Allereerst slaagt hij er niet in om het perspectief van een twaalf-dertienjarige consequent en overtuigend vast te houden. Een paar keer werd ik opgeschrikt door opmerkingen die duidelijk uit de koker van een oudere verteller komen; bijvoorbeeld wanneer Sep in gedachten snedig antwoordt op de eeuwige vraag `Hoe gaat het op school?' (`Er is mij net een eredoctoraat in Leuven aangeboden'); of wanneer hij het interieur van een vriendje beschrijft alsof hij Henk van Os zelve is (`naast de gasmeter een Weissenbruch [...] halverwege de trap een Mauve').

Kenmerkender is de voorzichtigheid die Geelens novelle uitstraalt. In een artikel over de debutenoogst van het afgelopen najaar constateerde Arjen Fortuin vorige week dat alle besproken boeken kort en eenvoudig waren, met meer sfeer dan actie, zonder experimenten, `bevolkt door vriendelijke mensen die voetje voor voetje hun opwachting in het echte leven maken en die in de eerste persoon hun verhaal vertellen'. Die karakterisering is ook van toepassing op Het nijlpaard Ellende, zij het dat niet alle debutanten zo'n vloeiende stijl hebben en zo droogkomisch vertellen als Geelen. Maar groots en meeslepend schrijven kun je het niet noemen.

Misschien is Het nijlpaard Ellende een voorstudie voor iets ambitieuzers, voor het portret van een kunstenaar als jongeman dat tegelijkertijd een Grote Limburgse Roman zal zijn. Met deze novelle schaart Geelen zich in elk geval alvast in het selecte groepje van kinderboekschrijvers (denk aan Joke van Leeuwen en Bart Moeyaert) die ook in de volwassenenliteratuur hun sporen verdiend hebben.

Harrie Geelen: Het nijlpaard Ellende. G.A. van Oorschot, 110 blz. €13,50

    • Pieter Steinz