Oud wetsartikel ingezet tegen B.

Een oud wetsartikel over het hinderen van Kamerleden in uitoefening van hun plichten wordt tegen Mohammed B. in stelling gebracht.

Het nieuws dat justitie artikel 121 van het Wetboek van Strafrecht opnieuw wil gaan gebruiken, leidt nog net niet tot een ,,hoera-stemming'' bij prof.mr. Th. de Roos. De Leidse hoogleraar strafrecht is benieuwd naar de afloop van de juridische strijd tussen de advocatuur en het openbaar ministerie. ,,Er valt veel te puzzelen voor advocaten en justitie, maar dit is een begaanbare weg voor het openbaar ministerie,'' zegt De Roos.

Artikel 121 bestaat sinds 1886, toen het wetboek van strafrecht werd samengesteld. Dit artikel is speciaal gericht op leden van de Eerste en Tweede Kamer. Personen die leden van de Staten-Generaal verhinderen om vrij en onbelemmerd hun plicht te vervullen, kunnen gestraft worden met maximaal een levenslange gevangenisstraf.

Justitie gaat dit zelden toegepaste artikel gebruiken tegen Mohammed B., de verdachte van de moord op Theo van Gogh, en tegen twaalf leden van de Hofstadgroep. Justitie verdenkt hen er ook van dat ze met ,,geweld of bedreiging met geweld'' het werk van de Staten-Generaal hebben belemmerd. Naast Ayaan Hirsi Ali was ook het Kamerlid Geert Wilders een mogelijk doelwit van de terroristische Hofstadgroep. Mohammed B. liet op het lichaam van de cineast een voor het Kamerlid Ayaan Hirsi Ali bedoelde dreigbrief achter. Hirsi Ali dook sindsdien onder en is daarna niet meer in het gebouw van de Tweede Kamer geweest. Waarschijnlijk zal ze aanstaande dinsdag haar werkzaamheden als Kamerlid hervatten.

Het besluit van het openbaar ministerie in Amsterdam om B. ook artikel 121 te verwijten acht De Roos ,,helaas'' niet vergezocht. ,,Als het OM kijkend naar de feiten concludeert dat de aanslag op Van Gogh verder strekt dan een simpele moord, dan is justitie zelfs verplicht artikel 121 in stelling te brengen.''

De brief van B. en de moordplannen van andere moslimsextremisten hebben volgens De Roos het functioneren van de democratische rechtsstaat aangetast. ,,Het is dan niet vreemd dat 121 erbij wordt gehaald.''

Advocaat P. Plasman van Mohammed B. voorziet een moeilijke taak voor het OM. Dat moet na deze uitbreiding van de aanklacht maar zien te bewijzen dat Hirsi Ali ook daadwerkelijk ,,vrees is aangedaan''. Het Kamerlid is niet verhoord, dus daar is geen bewijs van de bevreesdheid van Hirsi Ali, aldus Plasman.

De advocaat wijst erop dat er na de open brief aan Hirsi Ali ,,veel meer is gebeurd''. Hirsi Ali kwam toen al niet meer in de Tweede Kamer, maar zij ontvluchtte Nederland pas ruim een week later. Plasman vermoedt dat het OM er alles aan wil doen om ervoor te zorgen dat Mohammed B. levenslang krijgt, nadat deze opzet bij Volkert van der G. mislukte. Die kreeg voor de moord op Pim Fortuyn `slechts' achttien jaar cel.

Dat een Kamerlid inderdaad is gehinderd, laat zich niet zo gemakkelijk bewijzen. Dat ervoer gisteren de Haagse justitie in de zaak tegen twee rappers, die gisteren voor politierechter verschenen wegens bedreiging van Hirsi Ali. Het OM gebruikte artikel 121 tegen de rappers. Hun rapsong met gewelddadige verwensingen en bedreigende teksten aan het adres van Hirsi Ali kwam via internet in de media terecht.

,,Niet alleen in roerige tijden als oorlog of revolutie is het mogelijk om met toepassing van geweld het democratisch bestel te frustreren,'' zei de officier van justitie gisteren, ,,maar ook andere methoden kunnen een aanslag vormen op de democratische besluitvorming.''

De rappende verdachten konden weten, zo pleitte de officier, dat Hirsi Ali op het moment dat zij kennis zou nemen van deze bedreigingen, ,,zij zich daardoor zodanig bedreigd zou voelen, dat zij zich belemmerd zou voelen in haar uitspraken''.

De officier van justitie kon echter niet bewijzen dat het Hirsi Ali ook daadwerkelijk werd verhinderd om haar plicht als Kamerlid te vervullen. Daarom hield de officier het gisteren bij een `poging tot'. In plaats van maximaal levenslang riskeren de rappers nu `slechts' werkstraffen tot 150 uur.