Niets wat ik doe is satire

Tom Wolfe is een peetvader van het Amerikaanse hyperrealisme. Voor zijn choquerende roman `I am Charlotte Simmons' infiltreerde hij het studentenleven. Moet hij niet naar Irak? ,,Ik weet het niet. U moet niet vergeten: ik ben 74.''

om Wolfe's derde roman I am Charlotte Simmons is in de Verenigde Staten over een breed front afgekraakt. Hij zou zijn vrouwelijke hoofdpersoon geen vlees en bloed hebben gegeven; haar provinciale naïveteit zou ongeloofwaardig zijn voor zo'n slimme vrouw van achttien; Wolfe zou de eerst-seks-dan-namen-sfeer op de `college'-campus waar het boek speelt hebben overdreven. Enzovoort.

Het is een eindje lezen, 676 pagina's, maar voor mij komt het meisje uit de Blue Ridge Mountains van North Carolina, van de eerste tot de laatste bladzij tot leven. Haar eenzaamheid op de campus van de denkbeeldige topuniversiteit Dupont, haar worsteling met de van thuis meegekregen koppigheid, de verleiding van het erbij horen, het is allemaal goed mee te voelen.

Charlotte Simmons leeft. Hoe heeft hij dat voor elkaar gekregen, vraag ik Wolfe in de zitkamer van zijn spectaculaire appartement op een steenworp afstand van het Metropolitan Museum in New York. Uit Central Park steekt een felle wind op die het halfopen raam op de veertiende verdieping bijna naar binnen blaast. De klep van de matblauw gespoten kleine vleugel was gelukkig dicht.

Wolfe neemt weer plaats op een gebloemde bank. Zijn tweedelig wit kostuum met ingebouwde `cummerband', een hemelsblauw overhemd, een witte das met hoedmotieven en de witte, gespikkelde zijden sokken in donkere schoenen met opgestikte witlederen slobkousen, zij geven de auteur iets van een merkartikel. Dit is Tom Wolfe van de Tom Wolfe-boeken – The Electric Kool-Aid Acid Test, Radical Chic & Mau Mauing the Flak Catchers, Bonfire of the Vanities, A Man in Full en nu de roman over de campusrijping van Charlotte Simmons.

Allervriendelijkst, met een zachte, soms wat zuidelijke stem zoekt Wolfe naar woorden. ,,Het begon met Charlotte Simmons als instrument om m'n verhaal te vertellen. Een naïef persoon is ideaal om de lezer te laten zien waar ik het over heb. Ik was geïnspireerd door Theodore Dreiser, wiens heldin in Sister Carrie (1900) ook een meisje van 18 was die een provinciestad verruilde voor Chicago met z'n mensenmassa's en zijn enorme afmetingen. Charlotte Simmons begon net als Sister Carrie. Gaandeweg raakte ik meer in haar geïnteresseerd. Ik ging dingen uit mijn eigen leven in haar leggen. Ik wil mezelf niet vergelijken met Flaubert, maar van hem is de bekende zin: `Madame Bovary, c'est moi'. Charlotte Simmons lijkt enigszins op mij.''

Eénnachtsliefde

Aan het eind past Charlotte zich aan. Ze verruilt academisch succes via een éénnachtsliefde voor de status van vriendin van de populairste basketballer van Dupont. Moeten we concluderen dat verzet tegen de smaak van de massa toch niet helpt? Of suggereert u dat uw heldin daar wel weer bovenuit komt? Wolfe: ,,Het boek eindigt in februari van Charlottes eerste studiejaar. Ik heb geen idee wat er in maart gebeurt. Mijn verbeeldingskracht is op. Het slot van het boek is verdrietig maar niet verpletterend, eerder bitterzoet. Ze wordt in zekere zin een ster, zij het niet van het soort dat haar voor ogen stond.''

Gaan uw drie romans over acceptatie, vraag ik, de drang om erbij te horen? Wolfe ziet dat niet zo. Sherman McCoy in Bonfire en Charlie Croker in Man in Full willen vooral hogerop. En Charlotte dan? Die is ook ambitieus, dat is waar, zegt hij. Alledrie maken toch vrij veel drukte om hun eenzaamheid te verdrijven? Instemmend zoekt Wolfe naar woorden: ,,Lezers krijgen zelden de kans te voelen dat eenzaamheid bijna iets fysieks is. Vandaag las ik ergens: eenzaamheid is wanneer je niemand hebt om het avondeten mee te delen. Zo was het toen ik als jong verslaggever van de New York Herald Tribune mijn eerste Thanksgiving-maaltijd in de stad at, in een automatiek. Dat is pas ongezellig. Het was '62, ik was alleen en werkte alle feestdagen. Maar ik voelde me heldhaftig, een waker terwijl de stad slaapt.''

Wolfe vertelt dat zijn ontwikkeling naar `New Journalism' en de daaruit voortvloeiende romans vrij toevallig is gegaan, en toch ook weer niet. Tijdens zijn eigen campusjaren (hij studeerde in Lexington, Virginia, en promoveerde aan Yale) schreef hij sportverslagen voor universiteitskranten. Daarna speelde hij twee jaar semi-professioneel honkbal. ,,Sportieve concurrentie zit in de genen van de Amerikaanse man. Als ik toen ontdekt was...'' Lachend: ,,Ik heb ze de kans gegeven.''

Hij bleef stukjes schrijven. ,,De journalistiek gaf steeds momenten van tevredenheid: als m'n naam weer eens in de krant stond. Later ga ik boeken schrijven, dacht ik, maar nu ben ik journalist. Het was romantisch.'' In 1962 bracht een New Yorkse krantenstaking hem ertoe een verhaal aan te bieden bij het maandblad Esquire, `brood op de plank'. Het zou gaan over jongeren in Los Angeles die leefden voor hun krankzinnige, zelfontworpen auto's.

Psychedelisch

De ervaring in dat wereldje was psychedelisch. Wolfe nu: ,,Ik beschouwde mezelf als een levendige schrijver, maar met de gebruikelijke manier van verslaggeving kwam ik niet uit.'' Hij meldde de hoofdredacteur dat het niet lukte, waarop de man zei: tik je aantekeningen uit, dan kan een ander het verhaal schrijven. Wolfe werkte een nacht door en zette alles wat hij had meegemaakt achter elkaar. Esquire drukte het ongewijzigd af: The `Kandy-Kolored Tangerine-Flake Streamlined Baby' was geboren. Het werd ook de titel van zijn eerste bundel `new journalism' (1965).

In die tijd verschenen meer verhalen (die later bekende boeken werden) in eenzelfde hyperrealistische stijl: In Cold Blood van Truman Capote, Gay Talese's profiel van een ouder wordende sportheld Joe, Norman Mailers Armies of the Night, Fear and Loathing on the Campaign Trail van Hunter S. Thompson. 'New Journalism' – de term is volgens Wolfe van Pete Hamill – was snel beroemd.

,,Alles met het predikaat `nieuw' is gedoemd vlug te verdwijnen, maar in dit geval is de term tot begin jaren '90 in omloop gebleven, vooral bij tijdschriften als Esquire, Rolling Stone en The New Yorker. Kranten vonden het allemaal maar lastig. Die hebben meestal een monopolie in hun stad, dus waarom zouden zij alles overhoophalen? Reken maar dat The Washington Post het Watergate-schandaal liever aan zich voorbij had laten gaan. Maar ze hadden twee stadsverslaggevers die bij de nachtzitting van de rechtbank waren gestuit op een inbraak bij het campagnehoofdkwartier van de Democraten, waarbij het woord `CIA' werd gefluisterd. Ze hadden geen benul van het feit dat kranten er zijn om winst te maken.''

Wolfe zegt dat `new journalism' een zuiver technische kwestie is. Hij telt vier praktische kunstgrepen. Eén: vertel je verhaal scène voor scène, in chronologische volgorde. Twee: gebruik zoveel mogelijk dialoog, `het meest persoonlijke, verhelderende wat je de lezer kan bieden'. Drie: verzamel `status details': het meubilair, spullen waar de hoofdpersoon trots op is, zijn manier van omspringen met personeel, wat windt de hoofdpersoon op. Over die derde kneep zegt Wolfe: ,,Romanschijvers doen dit instinctief, maar verslaggevers merken dat mensen als de dood zijn over hun status te praten. In ieder geval in dit land vertelt men zonder blikken of blozen alles over zijn seksleven, maar men schaamt zich dood om zijn sociale status te bespreken.''

De vierde `new journalism'-techniek is volgens Wolfe: ,,Schep de indruk dat je je binnen in iemands hoofd bevindt als het spannend wordt. Dat is de meest omstreden aanpak. Men zegt: hoe kan je dat nou doen, wat weet je ervan? Malcolm Muggeridge had gelijk toen hij schreef: `autobiografie is de meest waanzinnige vorm van fictie die er bestaat'. Mensen vertellen vrijwillig al hun helden- en wandaden, moord, diefstal, het kan niet erg genoeg, maar de 75 procent van het leven die uit vernederingen bestaat, wordt meestal verzwegen. Daarom denk ik dat ik ook kan en moet zoeken naar de binnenkant van iemands ziel. De piloot Chuck Jaeger, die voor het eerst door de geluidsbarrière is gegaan, heb ik voor The Right Stuff [een bestseller over onderlinge concurrentie in de Amerikaanse lucht- en ruimtevaart, 1979] eindeloos gevraagd wat hij dacht en voelde bij zijn crash in de woestijn. Ik denk dat hij in hoge mate de waarheid sprak, maar het risico bestaat dat je voor de gek wordt gehouden.''

Als hij praat over de dynamisch-realistische journalistieke stijl die hij hielp ontwikkelen, onderstreept Tom Wolfe tegelijk waarom de Amerikaanse roman alleen overleeft als de werkelijkheid wordt beschreven. In het essay 'My Three Stooges' (opgenomen in de bundel Hooking Up) verdedigt hij zich tegen John Updike, Norman Mailer en John Irving, die vinden dat hij geen literatuur schrijft. Hun verwijt hij `de anorexia van de Amerikaanse literatuur': mager, levenloos proza dat niets meer met de wereld te maken heeft. In het scherpe en eloquente opstel doet Wolfe een hartstochtelijk pleidooi voor `reporting', erop uitgaan en kijken naar het echte leven.

De Amerikaanse roman kreeg in Europa pas erkenning toen schrijvers als Dreiser, Dos Passos, Fitzgerald, Hemingway, Edith Wharton, Sinclair Lewis tot en met John Steinbeck in de eerste helft van de vorige eeuw over de werkelijkheid schreven. Wolfe: ,,Steinbeck wist niets van het lot van druivenplukkers af, maar hij kocht een oud truckje en reed langs de kampen van die contractwerkers. Daarom kon The Grapes of Wrath zo'n sensatie worden. Na de Tweede Wereldoorlog is een golf Franse ideeën overgewaaid die realisme veroordeelden als vulgair. We moesten psychologische nuances beschrijven. Jonge schrijvers op academische `creative writing'-cursussen werden geïndoctrineerd met Franse ideeën. Jacques Derrida, van wie ze in Frankrijk zeggen `ach ja', werd hier een god met zijn onzinnige, in wezen marxistische theorie over deconstructie. Belachelijk.''

Wolfe trekt de aanklacht tegen het Franse en Europese cultureel kolonialisme dat de Verenigde Staten zich vrijwillig laten aanleunen nog wat breder. ,,In de wetenschap, het zakenleven, het oorlogvoeren doen de VS het heel aardig op eigen kracht. Maar kijk eens wat er in de muziek is gebeurd. In de jaren '20 en '30 probeerden figuren als Duke Ellington en George Gershwin muziek te maken die de levendigheid en de chaos van de steden weerspiegelde. Er was echt Amerikaanse muziek, maar zodra Schönberg met zijn twaalftoonsmuziek uit Oostenrijk kwam overwaaien, gingen de muziekfaculteiten overstag. Wat we hadden mocht niet meer. En nog steeds kan je zelfs in New York geen zaal vol krijgen met hedendaagse muziek – hoogstens met een stukje Brahms. Of een beetje ragtime van Scott Joplin, die mag want hij had een moeilijk leven.''

In `My Three Stooges' beschrijft Wolfe hoe `in een pathetische revolutie het Europese formalisme' de niet-elektronische Amerikaanse kunsten heeft overgenomen. Willen zij overleven dan moeten muziek en dans weer melodie en verhaal toelaten. De Amerikaanse architectuur moet weer decoratief durven worden – het net heropende en goeddeels nieuwe Museum of Modern Art noemt hij `weer zo'n kale vlakte'. Hernieuwde aandacht voor inhoud is het sleutelwoord.

Daarom gaan de romans van Tom Wolfe ergens over en graaft hij diep in de werkelijkheid voor hij begint te schrijven (iedere dag 1.200 woorden). In het geval van Charlotte Simmons heeft hij langdurig rondgekeken op universitaire campussen van West- tot Oostkust. Hij begon bij Stanford in Californië en kwam via Gainesville (Florida), Chapel Hill (North Carolina), terecht bij Michigan, Yale en Harvard.

De verslaggever verruilde zijn witte pak voor een blauwe blazer, verder ging hij niet. ,,Het zou niet werken. Ik was toch van Mars.'' Wolfe was tot veel bereid, hij bleef net zolang op `fraternity'-feestjes tot de overgebleven studenten hun keurigheid lieten vallen en alleen nog maar spraken in hun vertrouwde `fuck and shit patois', een taal waarin de woorden fuck en shit iedere zin domineren.

Zevenjarigen

Wolfe had niet verwacht te ontdekken dat de meeste studenten gekleed zijn `als zevenjarigen'. Sommige docenten deden mee in korte broek. ,,Op Stanford liep de bekende filosoof Richard Rorty rond in een trui met V-hals met daaronder een T-shirt. Het is een man van in de zestig, dat zag er niet aantrekkelijk uit. Ik ben van mening dat mannen boven de 35 zoveel mogelijk moeten bedekken, zelfs als zij goed gebouwd zijn. De huid raakt het eerst in verval. Ook vrouwelijke docenten doen mee, zij geven college in jogging-kleren en zo. Dat berust op een misverstand, studenten willen helemaal niet dat de docenten zich met hen vereenzelvigen. Niet alle docenten begrijpen dat.''

De grootste `verrassing' op de Amerikaanse campus was voor Wolfe de passieloze seks. Hij kende cijfers over de seksuele activiteit van `de student' sinds de invoering van gemengde behuizing. Maar hij had geen idee wat men er bij voelde. Het antwoord bleek: weinig of niets. ,,Ik denk dat het na de Tweede Wereldoorlog begonnen is. Na de klassieke `freedom of religion' ontstond toen de Vijfde Amerikaanse Vrijheid, `freedom from religion'. Die maakte het normaal dat tv-gastheren trots de geboorte van de baby van hun vriendin aankondigden. Dertig procent van de kinderen wordt tegenwoordig geboren bij alleenstaande moeders. Studenten hebben alle gelegenheid die ontwikkeling te versterken. Wat wil je op een campus met 7.500 bedden? Dat betekent 7.500 bedden om samen in te duiken. Niet alle studenten willen dat, maar de druk is groot. Dat is het ergste voor de meisjes. Het hebben van een vriendje is zeer belangrijk. Zonder seks is dat heel moeilijk. Zij moeten eerst het toetje leveren, en daarna de weg terug bewandelen, zich aan elkaar voorstellen en ten slotte verkennen wie zij zijn. Ik denk dat het vrij onnatuurlijk is.''

Morele waarden

Hoe kan deze realiteit de universiteiten hebben overgenomen in het land dat in het verkiezingsjaar 2004 eindeloos morele waarden predikte? De liefhebber van het Witte Huis die niet aannemelijk kon maken dat hij zwaar gelovig was, maakte geen enkele kans. Hoe valt dat te rijmen?

Wolfe: ,,De neergang in godsdienstigheid is vooral sterk onder mensen met meer dan een bachelors graad. En de tweedeling gaat niet zozeer over God als wel over waar godsdienst voor staat. De mensen die openbare gelovigheid eisen, zien in iedere poging om hun wapenbezit aan banden te leggen een inbreuk op hun `way of life'. Hun gelovigheid bestaat vooral uit seksuele normen, geen homohuwelijk, geen abortus, geen cohabitatie – het woord alleen al klinkt zo ouderwets in de kuststreken van het land. Overigens zullen families die behoren tot de godvruchtige `rednecks', heus wel een abortus weten te regelen als zij dat nodig vinden voor hun vrouwen. Zij willen alleen niet dat anderen hun zeggen dat zij achterlijke provincialen zijn. Dat was bij de laatste verkiezingen veel belangrijker dan de oorlog. De verkiezingskaart van het land is tussen 2000 en 2004 nauwelijks veranderd. De waarden van de eigen groep wogen veel zwaarder dan al het andere, zelfs als dat tegen de eigen belangen inging.''

Als de werkelijkheid en niets dan de werkelijkheid zijn thema is, zou de Irak-oorlog dan niet hét onderwerp van een volgend Wolfe-boek moeten zijn? De schrijver reageert eerst enthousiast: ,,O ja, geweldig.'' Om vrij snel uit te weiden over de afkeer van militaire carrières bij de kinderen van de zaken- en vrije beroepsklasse. Net als na de Eerste Wereldoorlog. De Tweede was populair, net als de Korea-oorlog, maar ten tijde van de Vietnam-oorlog was de krijgsmacht weer helemaal uit de gratie. ,,Nu zie je ook dat officieren voornamelijk kinderen van onderofficieren zijn, en jongens uit de provincie. Voor hen is het een promotie.''

Maar de vraag was eigenlijk of de hyperrealist de oorlog wel kan overslaan? Wolfe: ,,Dan moet je naar Irak toe. Er is veel over geschreven, maar het is natuurlijk een geweldig onderwerp. Ik weet niet of ik het kan. U moet niet vergeten: ik ben 74. Ik geloof overigens niet dat de moed de militairen daar in de schoenen is gezonken. Het zijn beroeps. Die willen presteren.''

Ziet hij anderen die literaire journalistiek bedrijven op een manier die hij bewondert? ,,Zeker. Mark Bowden. Die schreef Black Hawk Down, dat is een groot journalist. En dan die man wiens naam klinkt als een ski-ongeluk, William Langewiesche, dat is hem. Hij schreef American Ground, over de wederopbouw van het World Trade Center, een prachtig boek.''

In menige recensie van Charlotte Simmons wordt u verweten dat u zich te veel opwindt over de sportverdwazing en de hartstochtvrije seks op de campus. U zou uw rol als satiricus te buiten zijn gegaan. Bent u een satiricus? Wolfe zegt, voor het eerst een tikje verbeten: ,,Ik heb nooit van mijn leven iets geschreven dat satirisch was. Satire is volgens het woordenboek iets reëels nemen en dat tot de rand van de afgrond duwen. Niets wat ik doe is satire, ik haat het. I am Charlotte Simmons beschrijft wat er is. Ik heb niets overdreven. En vervolgens wordt me verweten dat ik geschokt ben over wat ik zag. Je moet namelijk vóór of tegen zijn, de dingen zijn zwart of wit. Manicheïsme heet dat. Als je niet vóór of tegen bent, moet je werk verzetten. Als je altijd weet wat wel of niet deugt, hoef je niet hard te werken.''

Hoe wilt u het liefst worden omschreven?

,,Ik zou het geweldig vinden als ik word gezien als een groot ontdekker. Iemand die mensen laat zien wat er onder hun neus gebeurt zonder dat zij het wisten. Dat zou ik wel willen horen, maar het gebeurt zo zelden. Na Charlotte Simmons zeiden allerlei mensen: je zal wel geschokt zijn over al die heftige seks. Maar ik loop rond als verslaggever. Ik ben blij als ik een element zie dat ik kan gebruiken. En nog één. Ik heb geen moralometer op zak.''

`I am Charlotte Simmons' is verschenen bij uitg. Jonathan Cape, €24,95. Een Nederlandse vertaling verschijnt binnenkort bij uitg. Prometheus.

    • Marc Chavannes