Een kerkhof van vergeten boeken

Als er een prijs moest worden uitgereikt voor de meest gewiekste openingsscène van een roman, dan zou de Spaanse schrijver Carlos Ruiz Zafón die verdienen met de eerste bladzijden van De schaduw van de wind. Een vader neemt zijn tienjarig zoontje mee naar een mysterieus herenhuis in het naoorlogse Barcelona, waarin zich een onafzienbare bibliotheek bevindt. Labyrint-achtig verliezen de galerijen zich in het duister vanuit een overkoepelde zaal waarin de boekenkasten omhoogklimmen die zicht geven op tunnels, trappen en platformen waarlangs de bibliotheek zich ook in de hoogte uitstrekt.

Dit, zegt de vader tegen de tienjarige Daniël, is het Kerkhof der Vergeten Boeken. Alles wat ooit gedrukt is maar door niemand meer werd gelezen, wordt erin bewaard. Een geheim genootschap ontfermt zich erover en net als in Ray Bradbury's science-fictionroman Fahrenheit 451 adopteert elk lid één boek om het voor de vergetelheid te behoeden. Daniël kiest de roman De schaduw van de wind uit, van de hem onbekende schrijver Julián Carax.

Het is een prachtig openingsbeeld waarin alles samenkomt wat verleidelijk is voor een amusementslezer die niet van de straat wil zijn: de pracht van een chaotische bibliotheek, het prestige van het boek, de belofte van een mysterie en de vage beklemming van onheil. Inderdaad, voor Daniël begint met dat bezoek een tien jaar durende speurtocht, waarin verschrikking, verraad, liefde en tragiek zijn deel zullen worden. In Spanje werden er in korte tijd honderdduizenden exemplaren van De schaduw van de wind verkocht. In Duitsland en de Verenigde Staten zette de triomf van de na vijf onopgemerkte romans eindelijk wereldberoemd geworden schrijver Carlos Ruiz Zafón zich voort.

Ruiz Zafón weet de spanning er goed in te houden. Bloedstollende ontmoetingen in verlaten stadspaleizen met een spookgeheim wisselen elkaar op Daniëls pad af met galante avonturen waarin fascinerende vrouwen stuk voor stuk een tragisch levenslot met zich mee lijken te dragen. De pittoreske Fermín Romero, door Daniël opgepikt van de straat en sindsdien bibliografisch duvelstoejager in de boekenzaak van zijn vader, zorgt voor droogkomische volkswijsheden en de sinistere inspecteur Fumero – ooit Romero's folteraar – voor de sadistische horror van Spanjes politie-apparaat uit de jaren veertig en vijftig waarin het boek zich afspeelt.

Gaandeweg ontvouwt zich in De schaduw van de wind een familiedrama waarin Ruiz Zafón alle draden netjes met elkaar weet te verknopen. Het boek steekt dan ook zo knap in elkaar dat de melodramatische inslag nauwelijks invloed heeft op de spanning. Hoe heftig de emoties ook zijn waardoor de hoofdpersonen worden gekweld, hoe overdonderend ook de effecten van schrik en angst die soms rechtstreeks lijken te zijn ontleend aan een 19de-eeuwse gothic novel, en hoe doorzichtig ook de literaire trucs waarmee Ruiz Zafón het snob-appeal van de lezer tracht te paaien, zijn boek dwingt tot doorlezen.

De schaduw van de wind laat dan ook een tweeslachtig gevoel na. Het vakmanschap waarmee Ruiz Zafón zijn plot in elkaar heeft gestoken, de vaardigheid van zijn dialogen en de suggestieve stijl waarin hij geloofwaardigheid weet te geven aan het dreigende clair-obscur van een horror-genre dat bijna niemand meer ernstig nam, verdienen bewondering. Dat het allemaal zwaar overtrokken is, weinig geloofwaardig en met zijn eind-goed-al-goed ook nog eens onverwacht braaf, hoeft een ontspanningsroman niet te deren.

De schaduw van de wind lijkt in veel opzichten voor het succes op maat gesneden te zijn. Het plot zou gemakkelijk kunnen zijn ontleend aan het werk van de Spaanse successchrijver Arturo Perez-Reverte; de typetjes lijken weggelopen uit de boeken van de al even succesvolle Manuel Vázquez Montalbán en het Barcelona dat het decor van de roman vormt doet in zijn vooroorlogse schittering en naoorlogse kommernis onweerstaanbaar denken aan dat van Eduardo Mendoza.

Maar wanneer De schaduw van de wind als literair werk zo ernstig genomen wordt als Ruiz Zafón zelf kennelijk wilde, worden de eisen strenger. In de thematiek (een verdoemde schrijver en de heroïsche strijd voor het behoud van een letterkundig meesterwerk) schuilt ook een literaire beginselverklaring met een nogal romantische inslag. Dat begint al bij de introductie van het Kerkhof der Vergeten Boeken, waarmee de schrijver een pact sluit met zijn hoofdpersoon én zijn lezers. Van begin af aan staan zij allen op een hoger plan, want iedereen mag deze arme boeken vergeten zijn, Daniël, de schrijver en natuurlijk wij, zijn lezers, niet.

Ook wij maken deel uit van het geheime genootschap dat cultureel weet waar Abraham de mosterd haalt. En dus laten we ons moeiteloos ontwapenen door de knipoog waarmee Ruiz Zafón zijn eigen boek dezelfde titel geeft als het verdoemde werk van Carax. En al even gewiekst herkennen wij vroegtijdig al de parallellen in de levensloop van de ongelukkige Julián Carax en zijn bewaarengel Daniël – nog voordat Ruiz Zafón die uitvoerig uit de doeken doet.

Een dergelijk geheim verbond tussen schrijver en lezer, dat berust op het gedeelde verlangen naar culturele en literaire statusstijging, vormt de constante achter de recente stroom bestsellers waarvan Dan Browns Da Vinci Code de succesvolste is. Het wordt geboren uit een onterechte schaamte over het zuivere literaire amusement waarin de negentiende eeuw zich nog onbezwaard kon verlustigen, en daardoor helaas ook uit een zekere minachting voor het eerlijke literaire vakmanschap dat daarvoor garant stond. Het resultaat is een eigenaardig soort kitsch, dat zijn eigen glazen ingooit, louter omdat het te gretig kunst wil zijn.

Carlos Ruiz Zafón: De schaduw van de wind. Vertaald door Nelleke Geel. Signature, 543 blz. €19,95