Duiken in de Zee der Illusies

Fictie en cartografie, het is een aantrekkelijke combinatie, die teruggaat tot de zestiende eeuw. Maar waarom zijn de eilanden Woest, Ledig en Ter Sluik nog niet in kaart gebracht?

In 1994 reisde ik naar IJsland. Naast de normale toeristische objectieven (geisers, watervallen, vulkanisme) wilde ik een berg bezoeken waar volgens de overlevering trollen woonden. In Zweden had ik gehoord dat alle pogingen een weg aan te leggen vlak langs die berg (nabij Ljarskogar, zo'n drie uur rijden boven Reykjavik) waren gestrand door onverklaarbare motorpech van de graafmachines, de een na de andere.

De wegenbouwer had ten einde raad een medium ingeschakeld, dat een weerspannige trollenpopulatie te spreken kreeg. Hij wist het volk tot verhuizen te bewegen, maar op voorwaarde dat in de IJslandse wet zou worden vastgelegd dat ze op hun nieuwe plek nooit meer zouden worden gestoord. Ook andere IJslandse nederzettingen van `het kleine volk' zijn in kaart gebracht. Bij de bouw van de eerste supermarkt in Reykjavik, bij particuliere plannen of bouwprojecten van de overheid, werd die kaart geraadpleegd.

Ik bezocht de oude en de nieuwe trollenberg. Geen loslopende trol gezien. Jammer. Ook dwaalde ik geruime tijd in het centrale park van het tien kilometer onder Reykjavik gelegen Hafnarfjorthur, een idyllisch groen heuvelterreintje bespikkeld met lieftallige berkjes. Sprookjesachtig. Er zouden uiteenlopende varianten van het kleine volk wonen. Waar die plekken precies waren, was vastgelegd op een plattegrond, die ik bij de ingang had gekocht, het resultaat van 23 jaar cartografische arbeid door Magnus H. Skarphedinsson, historicus alsmede hoofd van de Elvenschool te Reykjavik. Het was mijn dag niet, opnieuw geen elf gezien. Misschien ook vond men mij geen aanspreekbare figuur. Wellicht moet je een medium zijn, `het oog hebben'. Dat geeft iets wonderlijks aan genoemde Skarphedinsson-kaart. Hij klopt slechts als de lezer ervan in staat is waar te nemen wat volgens velen alleen in de fantasie bestaat. Niet alle kaarten houden zich aan wat iedereen ter plekke kan zien.

Met kaarten heb ik altijd iets gehad. Ik hoef er maar naar te kijken en de fantasie gaat aan het werk. Zo bedacht ik met de kaart van Luxemburg op het bureau voor mijn roman De tegenhanger (2003) een wandeling langs plaatsen die naar onderdelen van het menselijk lichaam zijn genoemd. Van Kopstal via Kehlen, Kautenbach, Conthern naar Arsdorf, van hotelletje naar hotelletje. Ging je de Duitse grens over, nam je Körperich erbij. Daar begint al het manipuleren met de geografie. De elvenkaart van het Hafnarfjorthurpark is één stap verder: het gebied klopt, maar aan de verschillende locaties worden niet algemeen controleerbare gegevens toegevoegd.

De mooiste kaarten betreffen natuurlijk pogingen gebieden in kaart te brengen die als geheel slechts in de geest bestaan. Een simpel voorbeeld vond ik in mijn jeugd, in Jaap knapt het op van journalist/jeugdboekenschrijver H.J. Looman. Een kanoroman, een literair jeugdboekengenre dat wel eens over het hoofd wordt gezien. Jaap en zijn minder begaafde vrienden leggen een tocht te water af en komen in aanraking met mild schuldige plattelandscriminaliteit. Vervolgens krijgen de gebeurtenissen in het boek het karakter van de titel. Voorin is een schetsachtig kaartje opgenomen. Hier werden de bootjes te water gelaten, daar is de donkere schuur, op locatie a vindt dit plaats, op locatie z dat. Ginder bewuste bocht in de rivier, rechts de stroomversnelling waar de knapen richting en doel uit de mond van de held vernemen, linksboven de plek waar tenslotte een zucht van verlichting wordt geslaakt. Ik kon me dankzij dat kaartje in een bijna tastbare wereld verplaatsen. Daarbij had ik altijd al een kano willen hebben, maar die werd me door mijn ouders stelselmatig onthouden. Zo is er altijd wel een trauma waar een fantasiekaartje iets aan kan verzachten.

Looman blijft dicht bij huis. Dat is wel anders in Tolkiens In de ban van de ring, het dankzij de film tegenwoordig zo populaire epos over hoe je de anti-graal zo snel mogelijk moet proberen te lozen. Ik verslond het boek op mijn vijftiende, in één weekend. Wederom gesteund door een kaartje. Hier heeft Frodo Gollum ontmoet, ginds begint na de strijd met de kwade voetknechten de tocht te water (beslist een momentum in de kanoliteratuur voor kinderen), dáár is het gat voor de ring. Tolkien is een schrijver die heel veel heeft gelezen, en het is niet uitgesloten dat hij bij Frodo's tocht door de onderwereld (want dat is het) heeft gedacht aan de kaarten die zijn gemaakt bij Dante's Hel.

Nu beginnen we langzamerhand op te tellen: Skarphedinsson, Jaap knapt het op, Tolkien, Dante: kaarten van imaginaire gebieden. Het blijkt een veelbeoefend genre: de imaginaire kaart, de allegorische kaart, de literaire geografie, literaire topografie, hoe men ze ook maar noemt. Een van de vroegste pogingen dit genre te inventariseren werd ondernomen door de Franse romancier, historiograaf en bibliothecaris Charles Sorel, die er in zijn La Bibliothèque françoise (1664) een half hoofdstuk aan wijdde. Hij meende de oorsprong van de literaire geografie te hebben gevonden in de maar liefst tiendelige roman Clélie, Histoire romaine (1654-61), van de schrijfster en salonhoudster Madeleine de Scudéry, een van de modellen voor Molière's beroemde toneelstuk Les Précieuses Ridicules. In Clélie is een kaart opgenomen, de zogenaamde `Carte de tendre'. We zien een schiereiland, doorsneden door `de rivier der schaamte', uitmondend in de `zee der illusies'. Het gebied ter rechteroever vertoont weinig aanlokkelijke dreven. Er is het `Grote Meer der Abberaties', de rotspunt `Afgunst', de `Woestijn van de Nare Blik', het buurtschap `Hallucinatie'.

`U kent vast niet de gevaren bij het reizen naar onbekende streken,' zo reageerde een anonieme scribent op Scudéry's kaart. `U zegt immers de wens te koesteren daarheen te reizen. Persoonlijk zou ik mijn vrienden beslist niet aanraden zo'n penibele tocht te ondernemen.'

Ik weet niet waarom onze anonymus dit schrijft, maar het aardige van literaire geografie is nu juist dat men zulke tochten zonder kleerscheuren kan ondernemen, zelfs als de cartografe zo precieus is bij de liefde vooral hindernissen en gevaren voor te spiegelen.

Het mag dan zo zijn dat de zeventiende-eeuwse `Carte du tendre' van Madame de Scudéry het genre van de imaginaire kaarten populair heeft gemaakt, er zijn veel vroegere voorbeelden te vinden dan Charles Sorel noemt. Al op de 1518-editie van Thomas More's Utopia staat een plattegrond van het eiland der gelukzaligen, en een briljante literair-geografisch specimen dateert van 1566: de Mappemonde Nouvelle Papistique. Deze door Pierre Eskrich vervaardigde, ongemeen felle anti-papensatire bestaat uit zestien houtsneden op folio-formaat, en heeft als uitgangspunt het beeld uit de Openbaring van Johannes waarin de kerk door haar vijanden wordt belegerd. Eskrich gebruikt een groot aantal elementen uit de reguliere cartografie, maar haalde een briljante truc uit. Hij nam een stadsplattegrond van Rome (die van Niccolo Beatrizet uit 1558), draaide deze 180 graden, en bewerkte hem verder tot wereldkaart. Vlijmende satire: het beroemde urbi et orbi (stad en wereld) in één beeld gepresenteerd met een vileine knipoog. Verder ook bij Eskrich geografische benamingen van het type dat Scudéry later zou gebruiken: de `bergen van het genot', `het woud der zonden', `de vlakte der lafaards'. Bij hem is alles zeer effectief, ter ontluistering van de Heilige Stoel, die hij associeerde met verval, dwaalleer en immoraliteit.

Eén benaming voor de cartografie van de verbeelding noemde ik nog niet: morele geo- of topografie. Aan de hand van Madame de Scudéry en Eskrichs Mappemonde Nouvelle Papistique kun je er al iets bij voorstellen. De negentiende-eeuwse prenten die de Bijbels spreekwoordelijke brede en de smalle weg verbeelden zou je ook `morele geografie' kunnen noemen. Je ziet een soort kaart, onderaan de cruciale splitsing. De smalle weg is natuurlijk vol hindernissen, er valt behalve talloze voetangels, klemmen en verleidelijke doorsteekjes naar de brede route, onderweg weinig te beleven voor de wandelaar – dan nog liever het saaie Luxemburg-pad van Kehlen naar Arsdorf –, maar aan het einde wacht de hemel. In de berm van de brede weg één en al leven: muziektenten, gokhallen, hoerenkasten, de hele kermis der ijdelheid. Aan de muur van de Friese boerderij van een groep marxistisch onderlegde collega-auteurs vond ik zelfs een DDR-variant van bedoelde kaart. Opmerkelijk hoe weinig deze van de negentiende-eeuwse vorm verschilt, wat maar weer eens bewijst dat socialisme en religie warme familiebanden onderhouden. Dat op beide varianten de brede weg in de hel eindigt behoeft uiteraard geen toelichting.

De mooiste vertegenwoordiger van literaire topografie vond ik op de site http://www.kfunigraz.ac.at/ub/sosa/karten/schlaraffia.html: Accurata Utopiae Tabula, das ist der neu-entdeckten Schalck-Welt oder des so oft benannten, und doch nie erkannten Schlaraffenlandes neu-erfundene lächerliche Land-Tabel, durch Authorem Anonymum. Deze literaire kaart duikt voor het eerst op in 1716, als meegebonden bijlage in J.B. Homanns Atlas novus terrarum. Hij is gebaseerd op een boek uit 1706 van een generaal, Johann Andreas Schnebelin genaamd, dat een bijna encyclopedische titel draagt, die ik ambtshalve maar even vertaal: `Verklaring der wonderen. Zeldzaam land Utopia, zoals daar is het nieuw ontdekte Schlaraffenland. Waarin alle laster van de schalkse wereld, zowel als bijzondere koninkrijken, herenlanden en -gebieden, met vele domme steden, vestingen, vlekken en dorpen, rivieren, bergen, meren, eilanden, zee, boezems en bekkens, en niet minder over de zeden van deze naties, regimenten, nijverheid, tezamen met vele lezenswaardige invallen op zijn duidelijkst beschreven, alle dwaze lastervrienden bespottend, de deugdlievenden tot waarschuwing strekkend en ter heling van hun melancholische gemoed aangeboden. Gedrukt te Arbeidshuizen, in het graafschap Vlijtig, in het jaar dat Schlaraffenland ontdekt is'.

Alleen al deze titel biedt ouderwets genot, ik zou dit ongetwijfeld door een van de vele edities van Robert Burtons beroemde The Anatomy of Melancholy (eerste druk 1621) geïnspireerde boek graag lezen. Maar hier gaat het om het werk van de anonieme Schlaraffenland-cartograaf, die overigens het boek van Schnebelin niet helemaal heeft gevolgd en ook zelf het een en ander heeft toegevoegd. Schlaraffenland heeft alles van een continent, met een aantal naties: Slempland, Verkwistland, Speelland, het Rijk van de Grote Maag, Zeugland, Boeteland, het Hellerijk, Ontuchtland, het `Onbekende Land der vromen', en het grondgebied van Schlaraffenland (`Sufferdland') zelf.

De kaart van Schlaraffenland betreft natuurlijk satire, evenals Eskrichs Mappemonde Nouvelle Papistique. Maar goede satire vraagt het een en ander aan kennis van auteur of literair cartograaf. Dat kun je aflezen aan de plaatsnamen. Zo vond ik de stad Kampen terug, en je hoeft Matthijs van Boxsels Encyclopedie van de domheid niet te hebben gelezen om te weten dat deze IJsselstad niet bekend staat om haar spreekwoordelijke intelligentie. Meer Nederlandse plaatsnamen zijn te traceren in Eskrichs satirische Neverland-variant: Leerdam (in de landstreek Bettelmania), in `Res Publica Veneris' bestaat een vlek die Lekkerkerk heet, in het `Onbekende land der Vromen' ligt de stad Leiden, en dan hebben we nog Leerdam, gesitueerd in Bettelmania. In literair opzicht bevat de anonieme kaart tal van fraaie vondsten, de kaart van Schlaraffenland is een kaart om met veel plezier te lezen. Als landkaart (de manier waarop bergen, rivieren, meren, steden en dorpen zijn weergegeven) onderscheidt hij zich niet van de kaarten uit het begin van de achttiende eeuw, al zijn de vormen van Schlaraffenland natuurlijk op geen enkele andere kaart terug te vinden.

Fictie en cartografie, het is een aantrekkelijke, veelbeoefende combinatie. Het verbaast me dat er nog geen kaart is opgedoken van de reis die de hoofdpersonen in het vierde boek van Rabelais' Pantagruel (1552) maken, langs de eilanden Procuration, Woest, Ledig, en Ter Sluik, waar Vastenpik het bewind voert. Een Odyssee die Jonathan Swift ongetwijfeld inspireerde voor Gullivers zwerftocht langs Lilliput, Glubbdubdrib en het land der Houyhnhyms. Swift nam echter wel degelijk kaartjes op. Handig. We weten nu waar (het in 1699 ontdekte) Lilliput ligt: ten zuid-zuidwesten van Sumatra.

Eenzelfde plaatsaanduiding vond ik bij een moderne variant van de literaire geografie: op de site van het Genootschap voor Geofictie. Dit gezelschap blijkt te werken aan de ontwikkeling van de landen Biscanië (een eiland in de Atlantische Oceaan, ongeveer 600 kilometer ten zuidwesten van de Azoren) en Companië, lid van de EGU (Europese Geofictieve Unie). Wie zin heeft kan zich aanmelden, met eigen geofictieve bijdragen. Mooi, een eenzaam uitsteeksel in de Zee van Normen en Waarden die Balkenende heet of een eilandje ver van de kust getiteld Verdonk met de nederzetting Afreys.

Literaire geografie, geofictie. Hand in hand met je eigen verbeelding op reis naar het land van je dromen (of nachtmerries). Gezeten in je leunstoel op weg naar Utopia, beter kan het niet.

    • Atte Jongstra