De baas van de Yankees blijft titels kopen

Al meer dan drie decennia is George Steinbrenner eigenaar van honkbalclub New York Yankees. `The Boss' gaat ervan uit dat succes te koop is.

George M. Steinbrenner III heeft een hekel aan verliezen. De 74-jarige eigenaar van de New York Yankees wil na de pijnlijke uitschakeling tegen de latere kampioen Boston Red Sox niets meer aan het toeval overlaten in het komende honkbalseizoen. Deze week sloeg de voormalige scheepsbouwer toe, door de 41-jarige werper Randy Johnson van de Diamondbacks over te nemen. Op 3 april moet de nieuwe nummer 41 van de Yankees de toon zetten voor een machtsovername van de club die 26 keer wereldkampioen werd. Een betere tegenstander om `het jaar van de revanche' te openen kunnen de Yankees niet treffen tijdens de eerste dag van de competitie: aartsrivaal Boston Red Sox.

Niets leek een nieuwe titel voor de bijna onverslaanbare Yankees vorig seizoen nog in de weg te staan. Met een comfortabele voorsprong van 3-0 in de finale van de American League tegen de Red Sox op zak kon er in theorie weinig meer fout gaan. De praktijk bleek anders. Voor het eerst in de geschiedenis van het professionele honkbal gaf een club een dergelijke voorsprong in de play-offs uit handen. De absolute wil om te winnen van de Red Sox was meer waard geweest dan de kwaliteiten van het sterrenensemble uit New York. Voor Steinbrenner reden nog meer geld te spenderen aan zijn selectie. Want in het verleden heeft `The Boss' meer dan eens aangetoond dat de officieuze wereldtitel wel degelijk te koop is.

Steinbrenner, die de club met een paar investeerders in 1973 voor een bedrag van 8,8 miljoen overnam van televisiestation CBS, heeft in 21 jaar tijd zijn lesjes wel geleerd. Vier jaar na zijn aantreden zag hij de Yankees twee keer op rij kampioen worden. Voor het eerst was de beroemde en veeleisende vader Henry Steinbrenner openlijk trots op zijn zoon. ,,Well, the kid finally did something right'', waren volgens het Amerikaanse blad Sports Illustrated in 1978 de woorden van Steinbrenner sr.

In de jaren die volgden maakte Steinbrenner in New York naam als een eigengereide eigenaar die er niet voor terugdeinsde harde maatregelen te treffen. Zo zette de voormalige militair van de US Air Force een record neer door in zijn eerste zeventien seizoenen als baas zeventien managers te verslijten. Billy Martin werd zelfs vijf keer door Steinbrenner als manager aangesteld en even zovele malen raakte hij weer in onmin. Wat de multimiljonair ook probeerde, het lukt hem achttien jaar op rij niet een nieuwe titel te veroveren.

In de jaren tachtig, waarin de Yankees geen successen haalden, werd de club in volksmond The Bronx Zoo genoemd. Het ene relletje volgde op het andere. Niemand binnen de club was zeker van zijn baan. Honkballer Graig Nettles, die van 1973 tot 1983 bij de Yankees speelde, werd naar eigen zeggen elk jaar weer voor een verrassing gesteld. ,,Het was net of ik elk jaar van club veranderde. Steeds was er een nieuwe manager en een compleet nieuw team'', keek Nettles terug.

Steinbrenner groeide in New York uit tot een van de meest geliefde en een van de meest gehate mensen van het land. Zo verscheen een boek onder titel `101 Reasons to Hate George Steinbrenner' op de markt. Big Spender Steinbrenner dacht met geld alles en iedereen naar zijn hand te kunnen zetten, maar verschillende keren werd hij teruggefloten na dubieuze handelingen. Zo werd Steinbrenner in 1974 geschorst nadat hij de campagne van toenmalig president Richard Nixon op illegale wijze had gesteund. In 1983 kreeg hij een schorsing van een week en een boete van vijftigduizend dollar na herhaaldelijke beledigingen aan het adres van scheidsrechters. In 1990 werd Steinbrenner aanvankelijk voor het leven geschorst nadat hij geprobeerd had honkballer David Winfield in een kwaad daglicht te stellen. Winfield had een transfer naar de Anaheim Angels geweigerd, waarna Steinbrenner de gokker Howard Spira betaalde om hem te laten verklaren dat Winfield op wedstrijden van de Yankees had gewed. De tijd van Steinbrenner leek voorbij.

In 1993 keerde Steinbrenner echter terug als de eigenaar van de beroemdste honkbalclub ter wereld. Het bleek het begin van een gouden periode waarin de pinstripes vier keer de World Series wonnen. Een groot deel van het succes was te danken aan manager Joe Torre, die in 1996 van een onsamenhangende groep sterren een hechte ploeg wist te smeden. Steinbrenner hield zich redelijk rustig op de achtergrond. In 1999 baarde de baas wel opzien door de omstreden superster Roger Clemens van de Toronto Blue Jays binnen te halen. Steinbrenner wilde de Yankees de geschiedenis in laten gaan als een ploeg die jaren achtereen wist te domineren.

Geen enkele club gaf de afgelopen jaren zoveel geld aan salarissen uit als de Yankees, maar de vele honderden miljoenen dollars bleken geen garantie voor succes. Dit seizoen betalen de Yankees meer dan 200 miljoen dollar aan salarissen en daarmee is zelfs voor Steinbrenner een grens bereikt. Met het aantrekken van de werpers Johnson, Carl Pavano en Jaret Wright moet de concurrentie worden bestreden. De Yankees bewaren vooral veel slechte herinneringen aan de linkshandige pitcher Johnson, die de Yankees in 2001 eigenhandig in 1995 en 2001 van een wereldtitel hield. Steinbrenner kan zo slecht tegen zijn verlies dat hij The Big Unit voor 48 miljoen dollar vastlegde.

    • Koen Greven