Beren schieten

Fotograaf Lex van Rossen krijgt vandaag op het Noorderslag-festival in Groningen de Pop Pers Prijs 2005 uitgereikt. ,,Het licht is bij mij altijd goed, ik beheers het.''

Over zijn favoriete foto hoeft Lex van Rossen niet lang na te denken: ,,Dat is die van U2, in De Kuip.'' Op de foto uit 1987 zien we Bono Vox, de zanger van U2, van de achterkant gefotografeerd tijdens een van hun concerten in Rotterdam. Achter de zanger zien we de tribunes van het stadion, volledig gevuld, maar zo met een groothoeklens gefotografeerd dat tribune-ringen zich als armen om de zanger heen sluiten. Bono, zich schijnbaar bewust van het moment, maakt een knielende beweging. En om het beeld af te maken is er de lucht: zware, donkere wolkenvlagen die het tafereel een bijna religieuze atmosfeer geven. Daarmee is Van Rossens foto een mooie verbeelding van wat je mag verwachten van een goede popfoto: hij geeft je een impressie van de sfeer van een concert, die de toeschouwer kan navoelen zonder er zelf bij te zijn geweest. ,,Ik was heel opgewonden op dat Bono-moment'', zegt Van Rossen (55) in zijn woning aan de Amsterdamse Silodam, waar hij een subliem uitzicht over de havens heeft. ,,U2 had voor dat optreden een soort uitbouw voor hun podium laten zetten waar wij, de fotografen, aan drie kanten omheen konden lopen. Ik weet nog dat ik dacht: als Bono dat podiumpje opkomt duik ik naar achteren, zodat ik hem kan nemen met het stadion als achtergrond. Het is heel zeldzaam dat je een foto met een groothoeklens goed gevuld krijgt, dus het was een beetje een risico. Maar goed, hij liep inderdaad naar voren. Het werkte.''

En dan had je ook die lucht nog mee.

,,Nou, die lucht, daar heb ik in de donkere kamer wel een beetje aan geboetseerd. Zo gaat het wel vaker. Er hing wel zo'n soort lucht boven het stadion, maar die kreeg ik niet goed op de afdruk. Toch moest die lucht er wel op; ten eerste omdat grote witte vlakken heel vervelend zijn als ze geen hoofdrol spelen, maar vooral omdat de wolken zo mooi pasten bij de sfeer.''

Hoe doe je dat technisch?

,,Dat is gewoon een kwestie van je handen tussen de vergroter houden als je de lucht aan het nabelichten bent. Je steekt je handen ertussen, beweegt je vingers en gaat `vormen' maken tot het goed is.''

Ik moet eerlijk zeggen dat dit me wel verbaast. Doe je met zulke manipulatie geen afbreuk aan het gevoel dat die foto, dat moment een soort `waarheid' vertegenwoordigt?

,,Die waarheid is er ook wel wás er ook wel. Maar op de onbewerkte afdruk was-ie niet te zien. Dus heb ik hem weer bij elkaar gebracht. Uiteindelijk gaat het me er vooral om dat het beeld, de gedachte van de foto, klopt. Daarbij moeten alle ingrediënten wel aanwezig zijn, anders mag het niet. Dus als Bono daar staat, in zo'n `kerk', dan hoort die lucht daar bij. Anders was die foto lang zo goed niet.''

Het beeld is voor jou dus belangrijker dan de `waarheid'.

,,Jazeker. Ik ben misschien geen geweldige fotojournalist, wat dat dan ook wezen mag. Ik werk wel voor een krant, maar uiteindelijk is vorm voor mij het belangrijkste. Mijn insteek is niet om te verslaan wat er is gebeurd, ik wil zo'n gebeurtenis op z'n best laten zien. Daarbij mag ik sturen en manipuleren tot op zekere hoogte. Wolken benadrukken die er waren is oké, net als het beeld aansnijden, of een pukkel weghalen die er alleen maar zit op de dag van de foto. Uiteindelijk gaat het me erom dat het beeld klopt, dat het beeld in overeenstemming is met het idee dat ik op de foto wil weergeven.''

Juist die `onjournalistieke' opstelling van Van Rossen zou wel eens de belangrijkste reden kunnen zijn dat hij vandaag, in Groningen, aan het begin van het Noorderslag-festival, de Pop Pers Prijs 2005 krijgt uitgereikt. De fotograaf, die onder andere werkt voor de GPD-bladen en NRC Handelsblad, treedt daarmee in het rijtje van bekende popjournalisten als Jip Golstijn, Martin Bril, Anton Corbijn, Gijsbert Kamer en Hester Carvalho. De prijs lijkt ook een beloning voor het feit dat Van Rossen zich al bijna dertig jaar consciëntieus en hardnekkig heeft vastgebeten in de popmuzikant en zijn wereld.

Van Rossen begon midden jaren zeventig met zijn werk en fotografeert sindsdien bijna alleen maar popmuzikanten, vooral in portretten en concertopnames. Gevolg daarvan zijn ontmoetingen met een keur aan sterren waarvan ieder ander alleen maar kan dromen of het nu Johnny Rotten van de Sex Pistols is of Siouxie Sioux, Tom Waits, Bryan Ferry, de mannen van REM, U2 en Bruce Springsteen, Van Rossen heeft ze gesproken, voor zijn camera gehad en vastgelegd: ,,Als ik Lou Reed fotografeer is het tegenwoordig: `Hey, it's you again''', zegt hij grijnzend.

Toch is Van Rossen niet, zoals veel collega-popjournalisten, begonnen als een typische fan. ,,Ik wist al vanaf mijn twaalfde dat ik fotograaf wilde worden'', vertelt hij. ,,Maar in het milieu waar ik opgroeide lag dat niet erg voor de hand. Op mijn achttiende ben ik na een ruzie van de Detailhandelschool vertrokken. Ik zei tegen die directeur: ik stop met school, ik word fotograaf. Hij lachte me vierkant uit. Ik heb toen allerlei baantjes gehad en in de tussentijd een schriftelijke cursus fotografie gedaan. Ik had misschien wel naar de kunstacademie gekund, maar dat wilde ik mijn ouders niet aandoen. Ik had ook nooit als speciaal doel om `popfotograaf' te worden. Ik hield van popmuziek, had de opkomst van de beatmuziek nog net meegemaakt en zelf in een bandje gespeeld. Maar toen ik zo rond mijn vier-, vijfentwintigste steeds vaker voor mijn lol concerten stond te fotograferen, viel ineens het muntje. Hier kon ik mijn vak van maken.''

Als het dan niet echt een roeping was, hoe komt het dan dat je toch zo sterk aan dit ene terrein hebt vastgehouden?

Van Rossen lacht verlegen. ,,Ik denk dat ik wel hou van een duidelijke structuur. Ik blijf liever dicht bij huis dan dat ik de wijde wereld in trek. Waarschijnlijk is dat mijn karakter: wat behoudend, wat veilig.''

Realiseerde je je dan dat je allemaal mensen mocht ontmoeten waar hun fans, bij wijze van spreken, een moord voor zouden plegen?

,,Ik ben lang een buitenstaander in dat wereldje gebleven. Wilde dat ook zijn. Tegelijk gebeurde er al vanaf het begin van mijn carrière wel spannende dingen. Ik mocht Mick Jagger bijvoorbeeld fotograferen, weliswaar met twintig anderen, maar toen was ik toch behoorlijk zenuwachtig. Nog bijzonderder was Debbie Harry,van Blondie, die ik in 1976 mocht `doen'. Ze was nog niet zo heel bekend, maar gold onder journalisten wel als een van de mooiste vrouwen ter wereld. In het werk was ze heel aardig en meegaand en sexy, zelfs op een wat moederlijke manier ze was ook al tien jaar ouder dan ik. Dat had ik trouwens wel vaker: dat vrouwelijke artiesten me bij wijze van spreken moederlijk over de bol aaien, zo van `jongen het komt wel goed met jou'.''

Je had het net over het zoeken naar `veiligheid'. Komt dat ook terug in de vorm van popfotografie? Het genre dwingt je min of meer je te beperken tot twee vormen: het portret en de concertfoto.

,,Ja, maar die beperking dwingt me ook om inventief om te gaan met die vormen. Dat is een vak op zich. Bij veel collega's zie ik toch dat ze na verloop van tijd op routine gaan varen. Dan klopt het allemaal nog wel, maar is de, nou ja, de `geest' eruit. Ik heb zelf al vroeg beseft dat ik me telkens zou moeten verbeteren, het fris moest houden, ook om het léúk te houden als ik in die donkere kamer stond. Ik probeer toch telkens weer een beetje bij te leren: in de omgang met degene die ik moet fotograferen, in de omgang met het licht. Wat je ook van mijn foto's kunt zeggen: het licht is altijd goed. Ik weet gewoon hoe ik daarmee moet omgaan, ik beheers het echt.''

Hoe zit dat met de podiumfotografie? Over het algemeen mogen fotografen tegenwoordig alleen nog werken tijdens de eerste drie nummers van een concert.

,,Ja, dat is zo, maar dat heeft ook weer zijn charme. Voor mij is concertfotografie proberen een beeld te `vangen'. Het is vissen, jagen, beren schieten heerlijk. Aan het begin van het concert is het soms zwaar: je moet een goede plek zoeken, mensen storen en concerten starten altijd te laat, drie kwartier is geen uitzondering. Maar als het dan begint en ik heb de goede lijn tussen mij en de artiest te pakken, dan zweef ik. Ik heb wel gehad dat ik mijn arm uit de kom had. Dat deed vreselijk pijn, maar toen ik eenmaal moest werken, merkte ik daar niks meer van.''

foto's, beeld, zijn de afgelopen jaren steeds belangrijker geworden in de marketing van popmuzikanten. Voel je je in dat opzicht niet een pion van de marketingafdelingen van platenmaatschappijen?

,,Nou, als je wat langer meedraait, besef je wel hoezeer popmuziek een industrie is geworden. Maar als je het over herhaling en beperking hebt: als er één beroepsgroep is die zich veel herhaalt, dan zijn het de popmuzikanten wel dat zijn dan de rebellen, die jeugd moeten uitstralen, die mensen willen inspireren. Die doen avond aan avond, jaar in jaar uit, op het podium precies hetzelfde. Als er iets spettert dan is het de routine. Maar goed, als ik ze daar dan naar vraag, zeggen ze: ja, maar het is toch elke avond anders. Daar kan ík dan weer weinig tegenin brengen.

,,Wat die imagobewaking betreft: dat wordt wel meer, maar het is ook de kunst er als fotograaf niet te veel in mee te gaan. Soms kun je alleen niet anders. Zo kan ik me een concert van George Michael herinneren. We waren met alle fotografen aan de zijkant neergezet, op een soort vlondertje. Drie nummers mochten we doen, maar de eerste twee nummers gebeurde er helemaal niks. En toen, opeens, holt hij in het derde nummer onze kant op en nam heel nadrukkelijk een pose aan: stoer, gitaar naar voren, knie in een punt, in z'n BSA-jackie. Zo bleef-ie wel een minuut staan en wij allemaal afdrukken. Pas later besefte ik dat George ons te pakken had: het was precies dezelfde pose waarin hij stond op de cover van zijn plaat. We hadden gewoon de hoes opnieuw staan fotograferen. Nou ja, ik kon de humor er wel van inzien. Maar het is niet echt een avond waarop je het gevoel hebt een verschil te hebben gemaakt.''

Bestaan er ook nog popmuzikanten die nog `gewoon tegenwerken? Die niks van fotografen moeten hebben?

,,Oh ja, Ry Cooder, die haat fotografen. En de voorman van King Crimson, hoe heet-ie, Robert Fripp. Met hem heb ik in Paradiso nog een keer een rare confrontatie gehad. Hij had verordonneerd dat ik alleen tijdens het laatste nummer mocht fotograferen. Moet je je voorstellen: dat is net zoiets als je tegen iemand zegt dat hij bij het voorlaatste stoplicht rechtsaf moet. Maar goed, hij zou me wel een teken geven of zo. Ik stond daar achterin de zaal als een schaap te wachten. Tijdens het concert maakte ik alles voor elkaar; de belichting was goed, ik had het hele podium erop, ik hoefde hem eigenlijk alleen nog maar te maken. Op een gegeven moment liep de spanning zo hoog op dat ik dacht: ik druk één keer af en ik maak dat ik wegkom. Dus ik maak die foto en Fripp hoort dat. Hij legt het concert stil en zegt tegen mij: `je denkt toch niet dat je muziek kunt fotograferen?'''

En toen?

,,Nou, niks. Ik had natuurlijk moeten zeggen: `nee, muziek kun je niet fotograferen meneer Fripp, maar mensen die muziek maken wel'.''

Had hij niet ook een beetje gelijk?

,,Misschien, misschien... Kijk, je kunt muziek inderdaad niet fotograferen. Maar ik streef ernaar dat mensen die mijn foto's zien de muziek in zekere zin toch horen. Ik weet dat het nooit zal kunnen, maar een streven blijf het.''

Van 26 jan. t/m 6 feb., tijdens het Internationaal Film Festival zijn in Cinema Pathé in Rotterdam de stills te zien die Lex van Rossen maakte voor het project `Bewogen, vijf filmgedichten in gebarentaal.'

    • Hans den Hartog Jager