Vmbo is voor duizenden leerlingen te zwaar

Het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) is te zwaar voor duizenden leerlingen met leer- en gedragsproblemen. De invoering van het vmbo, dat juist was bedoeld om iedere leerling aan een diploma te helpen, heeft er in de praktijk toe geleid dat veel van de zwakkere leerlingen voortijdig uitvallen.

Dat schrijft de Algemene Rekenkamer in een vandaag verschenen rapport over het vmbo. Volgens cijfers van het ministerie van Onderwijs hebben circa 110.000 leerlingen in het vmbo extra zorg nodig: ongeveer 20 procent van het totaal aantal leerlingen. Dat percentage is de afgelopen tien jaar met bijna de helft gestegen, een hogere stijging dan het ministerie had verwacht.

Volgens de Rekenkamer stelt het vmbo vooral in de onderbouw veel te hoge eisen aan deze groep zwakke leerlingen. Er zijn te veel vakken en ze zijn te theoretisch. Docenten hebben veel moeite goed om te gaan met de steeds grotere groep leerlingen die grote sociale of emotionele problemen heeft.

In 1999 gingen het voorbereidend beroepsonderwijs en mavo samen in het vmbo. Ook leerlingen met leer- en gedragsproblemen die op scholen voor speciaal onderwijs zaten moesten voortaan integreren in het vmbo.

In het vmbo zouden de minder goede leerlingen zich moeten optrekken aan betere schoolgenoten. Daarbij zou iedere leerling met een volwaardig diploma van school gaan en zouden zij meer kansen hebben op de arbeidsmarkt. Bovendien waren aparte scholen voor deze zorgleerlingen te duur, vond toenmalig staatssecretaris Netelenbos (Onderwijs, PvdA).

Volgens de Rekenkamer is door deze maatregel het laagste onderwijsniveau veel zwaarder geworden. Bovendien missen leraren in het vmbo de kennis die nodig is om zwakke leerlingen op te vangen.

Dit leidt er volgens de Rekenkamer toe dat veel scholieren het onderwijs zonder diploma verlaten. Maar omdat het ministerie van Onderwijs niet over betrouwbare cijfers beschikt, weet niemand hoeveel leerlingen uitvallen. Bovendien weten scholen vaak niet welke zorg nodig is en is er nauwelijks een financiële verantwoording van de 350 miljoen euro die per jaar aan zorgleerlingen wordt besteed.

De Rekenkamer adviseert de minister zich te ,,bezinnen'' op de vraag of iedere leerling wel met een diploma van een beroepsopleiding van school moet. Bovendien vraagt de Rekenkamer de minister meer werk te maken van praktijkgerichte opleidingen.

In een reactie erkent minister Van der Hoeven dat het halen van een diploma op mbo-niveau voor veel leerlingen te hoog gegrepen is. Daarom is zij bezig met het ontwikkelen van speciale opleidingen voor leerlingen met een laag IQ of een leerachterstand. De minister is het er niet mee eens dat het vmbo te zwaar en te theoretisch is. Volgens haar zijn er al genoeg voorzieningen voor scholieren die het moeilijk hebben, maar maken scholen daar geen gebruik van. Wel vindt zij dat niet alle leraren in het vmbo goed voorbereid zijn op het begeleiden van moeilijke leerlingen.

Maar ook het basisonderwijs schiet tekort met het begeleiden van leerlingen die extra zorg nodig hebben, schrijft de Rekenkamer in een tweede rapport, dat vandaag is verschenen. Om de integratie van deze groep te bevorderen, moeten zij sinds 1998 in overgrote meerderheid naar reguliere basisscholen. Hierdoor heeft 20 procent van de basisschoolleerlingen leer- of gedragsproblemen. Het gevolg van dit project `Weer Samen Naar School' is volgens de Rekenkamer dat zij vaak niet het onderwijs krijgen dat zij nodig hebben. De Onderwijsinspectie heeft nauwelijks toezicht op deze groep.