Geld rampenfonds ook naar aids-bestrijding

Te midden van de niet aflatende berichtgeving over het leed dat de tsunami heeft aangericht, is het artikel van Maarten Schinkel in NRC Handelsblad van 6 januari een afwijkend, maar verhelderend geluid. Schinkel maakt aannemelijk dat de economie van de getroffen landen nauwelijks wordt geraakt, ja zelfs als gevolg van de weder opbouw nog een injectie zal krijgen.

Het eerste wat je van de bevolking in de geteisterde gebieden mag verwachten is dat ze zelf de handen uit de mouwen steken. Ik vond het beschamend te zien hoe in Banda Atjeh, waar ze de mond vol hebben van gotong royong, onderling hulpbetoon, na acht dagen overal nog lijken lagen weg te rotten, tot in de tuinen toe. De meeste van de getroffen landen kennen groeicijfers waar we in het westen jaloers op zijn en de beurskoersen staan er, begrijp ik van uw redacteur, ondanks de tsunami op recordhoogte. Het lijkt me redelijk van hen te verwachten dat ze zelf de wederopbouw van hun gebieden ter hand nemen. Het is ook redelijk dat de rijke landen hen daarbij helpen.

Het lijkt me echter onwaarschijnlijk dat onze hulp aan de wederopbouw van de betrekkelijk kleine totale oppervlakte van de kuststroken die door de tsunami zijn vernield, de miljarden zal vergen die thans overal in de wereld worden verzameld. Er zijn nog andere rampgebieden in de wereld. Schinkel wijst er terecht op dat de aids-epidemie die nu al zoveel jaren de wereld teistert heel wat meer leed en schade heeft aangericht dan de tsunami. Het is te hopen dat het geld dat van het tsunami-rampenfonds overblijft, besteed wordt aan de aids-bestrijding in Afrika dat, zoals ook de redactie opmerkt, al zo lang door zo veel rampspoed wordt geteisterd.