Zorgen om kruitvat Zuid-Servië

De dood van een 16-jarige Albanees in Zuid-Servië heeft in het gebied grote onrust veroorzaakt. Servië stuurde ijlings toppolitici en topmilitairen naar het zuiden om de plotselinge crisis in Zuid-Servië het hoofd te bieden.

De Servische regering stuurde de afgelopen dagen niet de minsten naar Zuid-Servië in een poging een dreigende crisis de kop in te drukken voordat het in de aan Kosovo en Macedonië grenzende regio uitdraait op geweld: de minister van Defensie, de vertrekkende legerleider, de aankomende legerleider, de minister van Minderheden, de Kosovo-coördinator. Sussen, was hun taak, en sussen deden ze.

Of het helpt is de vraag. Gisteren togen duizenden Albanese inwoners van de Zuid-Servische regio – de schattingen reppen van vijfduizend tot vijftienduizend mensen – de straat op, zwaaiend met Albanese en Amerikaanse vlaggen en voorzien van borden met teksten als ,,Servië, ga naar huis'', ,,Servië nee, Kosovo ja'' en – verwijzend naar de huidige Servische leiders en hun voorganger – ,,Koštunica + Tadic = Miloševic''. Ze eisten de aftocht van het Servische leger en Servische politiemannen en de komst van een internationale vredesmacht.

Aanleiding tot de demonstratie van gisteren (en voorgaande betogingen op zaterdag en zondag) was de dood van een 16-jarige Albanese jongen uit Zuid-Servië, vrijdag. Hij was zonder papieren de grens overgestoken voor een bezoek aan familie in een dorp in Macedonië, even over de grens. Toen hij 's avonds naar zijn dorp in Zuid-Servië wilde terugkeren werd hij eerst door een Servische patrouille onderschept en teruggestuurd. Toen hij het wat later weer probeerde, werd hij opnieuw door een Servische patrouille gezien. Na een waarschuwingsschot sloeg hij op de vlucht. Een tweede schot ketste af op een boom en trof hem in de nek. Hij was op slag dood. Een dag later stond de regio op stelten.

De Servische bezorgdheid over de onrust die de dood van de jongen veroorzaakte hoeft niet te verbazen: het gebied is een kruitvat, en vorig jaar maart is bij de anti-Servische pogrom in het naburige kruitvat Kosovo al aangetoond dat één enkel incident tot een enorme explosie kan leiden. Zuid-Servië grenst aan Kosovo en Macedonië en wordt bevolkt door een Albanese meerderheid – 70.000 Albanezen tegen 30.000 Serviërs. Het gebied was in 2000 en 2001 het toneel van een guerrilla van een Albanees bevrijdingsleger dat zich het UÇPMB noemde, naar de belangrijkste steden in het gebied: `Bevrijdingsleger voor Preševo, Medvedja en Bujanovac'. Het bestreed de Servische aanwezigheid in het gebied, waarvan de bewoners al meer dan tien jaar ijveren voor aansluiting bij het naburige Kosovo, waar het tot 1937 deel van uitmaakte.

Het UÇPMB, drieduizend man sterk, genoot in kringen van internationale bemiddelaars weinig respect: er zaten in dat legertje nogal wat `dorpsgangsters', ex-bajesklanten en vechtjassen met weinig om handen die hun geluk in de strijd zochten, en veel Kosovaarse en Macedonische Albanezen die in Kosovo hadden gevochten en na de Kosovo-oorlog van 1999 `werkloos' geworden waren.

De kleine oorlog van 2001 werd dankzij internationale bemiddeling beëindigd met een vredesakkoord waarin het UÇPMB beloofde zich te ontwapenen. Er kwam een gedemilitariseerde zone die etappegewijs weer in Servische handen overging. Albanezen kregen toegang tot de lokale politie en de Servische overheid beloofde zich meer om de ontwikkeling van het gebied te bekommeren.

Dat laatste is niet of nauwelijks gebeurd, en al vorig jaar waren er aanwijzingen dat de onrust in de regio toenam. In augustus werden tot vier keer toe handgranaten gegooid naar Servische doelen. De afgelopen maanden hebben Servische politici en media gewaarschuwd dat de onrust in Zuid-Servië fors toeneemt en dat het risico van incidenten toeneemt. De Albanezen vormen hun eigen lokaal bestuur, maar veel beter dan het in 2001 ging gaat het nog steeds niet, en dat leidt tot desillusie. In de bijna volledig Albanese stad Preševo hebben maar 2.300 van de 48.000 inwoners werk en gematigden die met Belgrado willen samenwerken, zoals de gekozen burgemeester Riza Halimi, verliezen geleidelijk hun geloofwaardigheid. De multi-etnische politiemacht wordt algemeen als marionet van Belgrado beschouwd en de aanwezigheid van Servische soldaten werkt als een rode lap. De Albanezen eisen aansluiting bij Kosovo, het vertrek van die Servische troepen en de Servische gendarmerie en hun vervanging door een internationale vredesmacht. Aan Servische kant zet het akkoord van 2001 ook kwaad bloed, want Albanees zelfbestuur is bij Serviërs in en buiten de regio niet populair.

Van tijd tot tijd meldt zich in het gebied een nieuw `bevrijdingsleger', het ook in Macedonië actieve AKSh (Nationaal Albanees Leger). Oud-leden van het UÇPMB sluiten zich bij die groepering aan omdat ze geen genoegen nemen met de `halve vrijheden' die het akkoord van 2001 heeft opgeleverd. De belangrijkste leiders van het AKSh zitten overigens in Macedonische gevangenissen of zijn op de vlucht. Of het AKSh nog in staat is een vuist te maken is de vraag, maar Belgrado weet hoe dan ook dat in Zuid-Servië de marges heel klein zijn.

    • Peter Michielsen