We leven in een netwerksamenleving

De vanzelfsprekendheid van het gezag is vervangen door de permanente onderhandeling. In dat proces van horizontalisering eroderen de politiek en de democratie, meent Paul Frissen.

Frank Ankersmit ziet spoken. In het bijzonder het spook van de horizontalisering. Dat zou op dit moment rondwaren en ons een `nemocratie' brengen, een regering van niemand. Of beter: een tirannie van, natuurlijk `duur betaalde', overheidsmanagers. Naar goed marxistisch gebruik creëert Ankersmit het altijd bruikbare beeld van een samenzwering. De retoriek van graaiende topambtenaren komt dan natuurlijk ook van pas. Zelfs de in mijn ogen ultiem loyale secretaris-generaal van Algemene Zaken, de hoogste dienaar van de premier, maakt kennelijk deel uit van de samenzwering.

Het is even wennen, maar een zo keurig gezelschap als de Nederlandse bureaucratie bereidt kennelijk een staatsgreep voor. Als ik Ankersmit goed begrijp, heeft die staatsgreep zelfs al plaatsgevonden. Maar gelukkig hebben we daar de historicus die, met het gezag van zijn unieke kennis van de geschiedenis, ons de ogen op tijd doet openen. Het is even schrikken, maar het is nog niet te laat voor bezinning. We kunnen de klassieke, verticale democratie nog in ere herstellen.

Ankersmits betoog zou als paranoïde terzijde te leggen zijn, als hij niet zo'n belangrijke en doorgaans zeer inspirerende deelnemer aan het publieke debat over staat en democratie zou zijn. Ook zijn theoretische werk is van het grootste belang, al was het maar omdat hij zo'n intelligente representant van het postmoderne denken is. Zijn aanval op de horizontalisering is echter op zijn best een teken van verwarring en op zijn slechtst een ideologische bezwering met een forse dosis nostalgie.

Als er al spoken rondwaren in Nederland, zie ik toch heel andere fantomen. En dat zijn bepaald geen wegbereiders van horizontalisering of radicale democratisering. Er is eerder sprake van een onverhulde verticalisering in het denken en in praktijken van openbaar bestuur en staat. Alom valt een pleidooi te beluisteren voor centralisatie en herstel van hiërarchie. Of het nu gaat om de aansturing van verzelfstandigde organisaties (politie, woningcorporaties) of om de politieke controle op de bureaucratie. Het door Ankersmit terecht gehekelde vertoog van prestaties en contracten is eerder een droom van macht en controle dan een verlangen naar horizontale verhoudingen. Niet voor niets vindt er op die contracten een afrekening plaats. Dat is een begrip uit maffiakringen waar het meestal een liquidatie betekent.

Metaforen zijn zelden onschuldig. Op het terrein van veiligheid en terreurbestrijding viert de retoriek van repressie hoogtij en daarmee wordt niets horizontaals of democratisch bedoeld. Het ene ministerie van Veiligheid dat er moet komen is de al jaren gekoesterde wens van alle zelfbenoemde leiders in Den Haag.

Over leiderschap gesproken. Niet toevallig is dat begrip zo populair. Opnieuw vermag ik niet in te zien dat die krachtpatserstaal een teken van horizontalisering is. Ik zwijg dan nog over het integratiedebat. Dat komt voor menigeen toch samengevat neer op ,,aanpassen of opkrassen''. Dat is opnieuw geen teken van dolgedraaide democratisering, maar eerder een referentie aan de tijd dat de katholieke kerk nog een schuilkerk was.

Natuurlijk heeft Ankersmit gelijk als hij het utopisch karakter van nogal wat pleidooien voor horizontalisering hekelt. Dat valse beeld van een democratie zonder representatie, van besluitvorming op grond van volledige informatie, van het samenvallen van volk en bestuur is natuurlijk naïef en in zijn pretenties van maakbaarheid gevaarlijk. Maar Ankersmit gooit wel heel veel op een hoop als het om aanhangers van horizontalisering gaat. Hij maakt de bekende fout dat hij de boodschapper de boodschap verwijt. Nogal wat auteurs, onder wie ikzelf, zien horizontalisering vooral als een patroon van maatschappelijke ontwikkelingen. Economisch, sociaal en cultureel leidt dat tot een netwerksamenleving, waarin niet de piramide maar de archipel de best beschrijvende metafoor is en waarin de vanzelfsprekendheid van het gezag vervangen is door de permanente onderhandeling. In dat proces van horizontalisering raken allerlei instituties ondermijnd. Ook de instituties van politiek en democratie eroderen. Maatschappelijke ontwikkelingen staan haaks op de dominante kenmerken van de historische context waarin deze instituties zijn ontstaan. Daarom is de politieke partij zieltogend, het parlement gemarginaliseerd en laveren bewindspersonen tussen de mythe van leiderschap en de realiteit van de terugtocht.

Ook Ankersmit zal deze diagnose nauwelijks betwisten. Zijn remedie is een romantisch herstel van de klassieke, verticale democratie. Die zou orde in de chaos kunnen brengen. Daarvoor is immers een bovengeschikte positie nodig, een soort externe wijsheid net als het superieure inzicht van de historicus. Maar het zal diezelfde historicus toch bekend zijn dat dit verticale begrip van democratie tamelijk eenzijdig is. Historisch heeft de democratie ook en misschien vooral een horizontale betekenis. Dan gaat het om democratie als een stelsel van checks and balances, van macht en tegenmacht, van meervoudigheid en variëteit. Dat begrip van democratie is nog nooit zo relevant geweest als nu. Het sluit veel beter aan bij de horizontale en pluriforme verhoudingen van onze samenleving zonder dat het de vaak naïeve en soms gevaarlijke illusie van de directe democratie koestert.

Het is een rijk alternatief voor het nostalgisch verlangen naar een politiek van het centrum en de piramide. In die zin is horizontalisering inderdaad een vervolmaking van de democratie – in alle voorlopigheid natuurlijk.

Paul Frissen is hoogleraar bestuurskunde aan de Universiteit van Tilburg en decaan van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur in Den Haag.

    • Paul Frissen