Internet is geen vals medium

Internet is helemaal niet zo onbetrouwbaar. Geruchten kunnen via dit medium gemakkelijk worden ontkracht, vindt Laurens Mommers.

Bernard Hulsman schrijft in `Getto's op het web' (NRC Handelsblad, 8 januari) dat internet leidt tot minder begrip tussen andersdenkenden. Het is een van de vele uitingen waarin internet de blaam treft van wat er dezer dagen mis is met de communicatie tussen individuen in de publieke ruimte. Maar wie zichzelf niet laaft aan lasterlijkheden op het web, vindt in de gereedschapskist die internet is, juist meer dan ooit de middelen om beweringen te toetsen en in contact te treden met onbekenden; reden om een paar misverstanden uit het artikel van Hulsman te weerleggen.

Het eerste misverstand: `Internet bevordert de gemakzucht van gebruikers'. Het wereldwijde web laat zich gemakkelijker doorzoeken dan bibliotheken. Bovendien hebben de meeste mensen vanachter hun bureau toegang. Controleren van bronnen is echter zowel via het web als daarbuiten mogelijk. Een gemakzuchtige journalist verlaat zich op onvolledige of onbetrouwbare bronnen. Dat is iets anders dan een journalist die zich baseert op internetbronnen: die kunnen net zo betrouwbaar of onbetrouwbaar zijn als bronnen op papier.

Het door Hulsman aangevoerde feit dat scholieren de betrouwbaarheid van websites niet kunnen beoordelen, is slechts een argument voor het geven van onderwijs waarin hun die vaardigheid wordt aangeleerd.

Het tweede misverstand: `Internet is een virtuele werkelijkheid, waar het onderscheid tussen feit en fictie is verdwenen'. Natuurlijk is internet een dankbaar medium voor de verspreiding van valse geruchten en urban legends (broodje-aap-verhalen). Maar broodje aapverhalen zijn van alle tijden, en verschijnen ook nog steeds met enige regelmaat in dagbladen. Via geen ander medium dan via internet kan zo'n gerucht of sage zo gemakkelijk worden ontkracht. Voor bijna elk verzonnen verhaal dat op het wereldwijde web circuleert, vindt men de weerlegging inclusief ontstaansgeschiedenis gemakkelijk terug. Hulsman geeft zelf het beste voorbeeld met zijn speurtocht naar valse verwijzingen naar uitspraken van Ayatollah Khomeini: een belangrijk deel van die speurtocht is via internet uitgevoerd.

Het derde misverstand: `Internet en het web zijn synoniem'. Het `web' is maar één van de vele toepassingen van internet. Andere toepassingen zijn e-mail, discussiegroepen en chatten. De suggestie van Hulsman is dat tien jaar groei van internetgebruik in het maatschappelijke domein alleen maar tot een verscherping van verhoudingen heeft geleid. Veel van het gereedschap dat internet biedt, is geschikt om deugdelijke informatie te verkrijgen en uit te wisselen. De meeste mensen gebruiken uit het enorme aanbod van informatie via internet alleen relatief betrouwbare bronnen. Web, e-mail, discussiegroepen en chatten worden gebruikt voor talloze `vreedzame' toepassingen: communicatie tussen bekenden en onbekenden om informatie en kennis uit te wisselen, en om beweringen te controleren.

Veel van de recente aanvallen op `internet' richten zich eigenlijk op zogenaamde weblogs: websites die een mengeling vormen van dagboek, nieuwsgaring en opinie, in meer of minder diplomatieke bewoordingen; en op discussiefora, waar verschillende mensen over een bepaald onderwerp met elkaar in discussie gaan. En inderdaad, de meningen die daar verkondigd worden, komen soms rechtstreeks uit de onderbuik. Egbert Dommering schreef op 20 november vorig jaar in deze krant dat de verruwing van omgangsvormen op internet terugslaat op het debat in de media. De vraag is of de verruwing niet in beide gevallen terug te voeren is op maatschappelijke omgangsvormen. Internet, met al zijn communicatievormen, is niet een virtuele werkelijkheid, gescheiden van onze `echte' wereld, maar gewoon een deel van onze maatschappij.

Wie de bronnen die via internet ontsloten worden op hun waarde kan schatten, beschikt over een krachtig medium om beweringen te toetsen op hun realiteitsgehalte. De opvolgers van het huidige Google zullen ongetwijfeld beter kunnen onderscheiden tussen betrouwbare en onbetrouwbare informatie. Wie in discussie wil treden met andersdenkenden, heeft daartoe dankzij internet meer mogelijkheden dan ooit. Wie zich ergert aan het taalgebruik of de opinies in een internetforum, kan de beheerder aanspreken op het wangedrag van deelnemers, of z'n toevlucht nemen tot fora waar de deelnemers elkaar aanspreken op onwelvoeglijk taalgebruik en onjuistheden. Er zijn volop methoden beschikbaar om dergelijke `sociale controle' in te bouwen in internetdiensten.

Internet is inderdaad geen `urban village'. Maar internet is ook geen grimmige metropool. Want internet bestaat niet.

Dr. Laurens Mommers is verbonden aan eLaw@Leiden, het centrum voor recht in de informatiemaatschappij van de Universiteit Leiden.