`God werd boos op de politieke huichelaars in Atjeh'

Hoe geef je zin aan een ramp als die in Atjeh, die op onvoorstelbare schaal dood en verwoesting zaaide? De vrome Atjehers zien in de zeebeving voor hun kust een straf van God.

Masrizal kijkt me lang aan en besluit de vraag te beantwoorden. ,,Veel Atjehers dachten bij de eerste beving, toen de huizen om hen heen instortten: dit is het einde van de wereld. Zij riepen wanhopig: ik heb nog niet gebeden! Toen kwam de vloedgolf en werd hun luidkeels `God is groot' gesmoord. De eerste twee vrijdagen na de ramp zaten de gebedshuizen vol. Ulama's roepen op tot boetedoening en de gelovigen nemen dat ernstig.''

Zoals veel Atjehers is Masrizal een vrome moslim, maar geen fanaticus. Masrizal komt uit Bireueun, aan de oostkust, en studeerde landbouwkunde aan de Universitas Syah Kuala in Banda Atjeh. Hij is staflid van een Atjehse organisatie die boeren helpt met kleinschalige projecten. Dat gezelschap is dezer dagen heel actief bij de verspreiding van hulpgoederen aan de getroffen bevolking. Sinds de militaire noodtoestand in 2003 functioneren niet veel Atjehse hulporganisaties meer. Ze werden door het leger gewantrouwd als sympathisanten van de separatistische Beweging Vrij Atjeh (GAM), en vaak terecht. Na de zeebeving zijn het, behalve het leger, vooral organisaties uit andere delen van Indonesië en uit het buitenland die in Atjeh werken. Zij hebben nauwelijks plaatselijke partners. Masrizals stichting bestaat uit jonge, goed opgeleide Atjehers die steeds gelijke afstand bewaarden tot het leger en de GAM. Zij beseffen dat hun doelgroep bekneld zit tussen de twee strijdende partijen.

Ook Masrizal ziet Gods hand achter de jongste tsunami, die Atjeh harder heeft geraakt dan andere kusten. Hij vindt het collectieve schuldgevoel onder de Atjehers dan ook terecht, maar hij weet niet of dat beklijft. ,,Als de huidige boetvaardigheid de komende maanden overleeft, kan de ramp een keerpunt worden in de geschiedenis van Atjeh. Maar als de schok is verwerkt en het leven zijn normale loop herneemt, kunnen de Atjehers in oude zonden vervallen. Er duiken nu al lieden op die sieraden van lijken stelen, getroffen huizen leeghalen, buitensporig verdienen aan de verwoesting of politiek voordeel zoeken in het gebeurde.'' Oude zonden, inderdaad.

Masrizal: ,,Ik zie deze enorme ramp vooral als een straf voor de huichelarij van de Atjehse politici. Zij voerden hier de islamitische wet in, maar leefden hem niet na en stalen als de raven. God werd boos. Het epicentrum lag onder de kust van Atjeh, dat zegt genoeg. God sloeg de zondaars, maar bij de klap kwamen ook onschuldigen om. De goeden moesten onder de kwaden lijden.''

Atjehers zien een goddelijke vingerwijzing in het feit dat veel gebedshuizen, waaronder de grote Baiturrahman Moskee in Banda Atjeh en de Nurul Huda Moskee van Meulaboh, gespaard bleven. Masrizal: ,,Die conclusie is minder irrationeel dan het lijkt. Moskeeënbouw wordt niet gegund aan aannemers. Zij worden gebouwd door de gemeenschap zelf. Ook de fundamenten worden gelegd door plaatselijke handwerkslieden. Er blijft niets aan de strijkstok hangen, en dat zorgt voor degelijkheid. Moet u zien hoe sommige overheidsgebouwen en het luxe Kuala Tripa Hotel als kaartenhuizen instortten! Dat komt omdat lang niet alle projectgeld is gebruikt voor de bouw. Deze combinatie van huichelarij en diefstal heeft Gods woede gewekt.''

Niet alle Atjehers lezen de tekens aan de wand, meent hij. ,,Er zijn er die hun harten sluiten, die geen hikma (lering, betekenis) trekken uit deze straf van God. Sommigen zoeken de schuld alleen bij anderen. Zo zien mensen in het GAM-milieu de ramp louter als een wraakneming op Indonesië, op het leger. Dat is zwaarder getroffen dan de rebellen, die onder de noodtoestand naar de bergen zijn verdreven. Het leger had zijn bases vooral aan de kust. GAM ziet de internationale aandacht en de komst van buitenlandse hulporganisaties naar Atjeh als een kans om weer in de schijnwerpers te komen. Zo'n partijdige uitleg van Gods teken is een zonde, want dit raakt alle Atjehers.''

Het bestand dat de GAM-leiding in Zweedse ballingschap kort na de ramp aanbood, lijkt een zoveelste vorm van hypocrisie. GAM-rebellen die hebben standgehouden in de bergen zijn na de tsunami afgedaald naar de getroffen kust en hier en daar kwam het al tot vuurcontact met Indonesische soldaten.

Zaterdag werd geschoten op het VN-hoofdkwartier in Banda Atjeh. Mogelijk was het een provocatie om de buitenlanders te laten betalen voor militaire protectie, of intimidatie. De militairen zien met lede ogen hoe de buitenwereld binnendringt in Atjeh, zonder dat ze er wijzer van worden.De mannen met wapens vervallen het snelst in oude zonden.