Wanneer vertrekken we?

In zes weken van Buenos Aires naar Lima met zo veel mogelijk soorten openbaar vervoer en langs elf werelderfgoederen. En dan breekt onverwachts de revolutie uit.

Achter de drie treinstations van Buenos Aires, die louter lokale bestemmingen bedienen, rijst het busstation op. Het telt een honderdtal perrons en even veel loketten. Het openbaar vervoer is volledig geprivatiseerd. Als je bijvoorbeeld naar Córdoba wilt, dan kun je bij het inlichtingenloket een papiertje halen met de nummers van de loketten van de maatschappijen die erheen gaan. Je kunt dan bij elk van die dertien kantoortjes vragen wat het kost, hoeveel beenruimte men biedt en wanneer ze denken te vertrekken.

Wij – man, vrouw, twee rugzakken op wieltjes – wilden in zes weken van Buenos Aires naar Lima, hemelsbreed 2.500 kilometer, met zo veel mogelijk soorten openbaar vervoer en langs zo veel mogelijk UNESCO-werelderfgoedplaatsen. We zagen er elf, waarvan vier in Peru, drie in Bolivia, twee in Argentinië en één in Uruguay en Chili. De reis besloeg 11.100 kilometer, waarvan 3.700 door de lucht. De meeste landkilometers werden tamelijk comfortabel en goedkoop per bus of minibusje afgelegd, maar ook in een trein, op veer-, vracht- en speedboten, liftend, lopend, in driewielers met en zonder hulpmotor en diverse 19de-eeuwse kabelliften, die in de Chileense havenstad Valparaíso het vervoer tussen de waterkant en de hogere gedeeltes verzorgen en alle vijftien terecht beschermd worden door UNESCO. En dan waren er natuurlijk de taxi's in alle vormen en gedaantes. In Buenos Aires moesten we nog even wennen aan de afstanden tussen het graf van Evita, het koffiehuis van Pirandello en de oude tangowijk San Telmo. Lopen doe je er net zo min als in elke andere wereldstad. Bij de eerste taxi stond de meter na een minuut of zeven nog steeds op 1 peso (0,28 euro). Net op het moment dat we bezorgd begonnen te informeren sprong de meter op 2 pesos.

De eerste UNESCO-locatie op onze reis ligt aan de overkant van de Rio de la Plata in Uruguay, namelijk de oude Portugese vesting Colonia del Sacramento. De pont om er te komen heet Buquebus en gaat snel. Het eerste wat je er tegenkomt is een vestiging van de in Uruguay alom aanwezige ABN Amrobank, waar de Argentijnen hun geld veilig stellen voor devaluaties. Dan vallen de aan het verkeer deelnemende oude auto's op, uit de jaren dertig en veertig, de bloeiperiode van Uruguay, waar de vervallen binnenstad van Montevideo nog steeds van droomt.

Een stewardess op hakken serveert ons gazeuse en videofilms in de dubbeldekker (semicama, wat `halfbed' betekent en vliegtuigstoel inhoudt) op weg naar de Argentijnse universiteitsstad Córdoba. Daar waakt een twaalf meter hoog christusbeeld over een van de door de UNESCO beschermde jezuïetenkloosters.

Vrachtwagens kruipen in konvooi over de 3.200 meter hoge Andespas van Mendoza naar Chili; de politie, die zelfs tussen provinciegrenzen bij slagbomen controleert, laat er steeds vijf door, omdat ze elkaar anders maar gaan inhalen. In de afdaling volgen na de sneeuw meteen de cactussen, voorboden van het in Chili dominante surrealisme. Bejaarden in matrozenpakjes serveren zeemonsters in het als aquarium ingerichte visrestaurant Ocean Pacific's van Santiago, in korte rode rokjes gehulde schonen in Cubaanse espressobars lijken uit een strip afkomstig en de liften van Valparaíso zijn net zo onwerkelijk als Pablo Neruda's communistische villa.

Je stapt in de bus op een marktplaats tussen de avocadoplantages en wordt de volgende ochtend wakker in de woestijn. Het populaire oasedorp San Pedro de Atacama telt hippies bij de vleet en we trekken geld uit de pinautomaat op een vrachtauto met satellietzender. Een bus brengt ons langs een vulkaan uit een kindertekening terug naar Noord-Argentinië, de koloniale en elegante stad Salta, waar gaucho's met dolken in hun broekband lopen. En dan breekt onverwachts de revolutie uit.

De UNESCO moet het brede dal dat toegang biedt tot Bolivia, de Quebrada de Humahuaca, om politieke redenen op zijn lijst hebben gezet. Er wonen bijna alleen Quechua-indianen, die vochten in de onafhankelijkheidsoorlog en nog steeds dol zijn op Che Guevara, die in 1968 hierlangs op had willen rukken. Met spandoeken van Che, rotjes en brandende autobanden zetten de gemeentearbeiders van Humahuaca voor het stadhuis hun eisen kracht bij. Over de grens met Bolivia zal Che nog populairder blijken. Van de drie taxi's in La Paz hebben twee Jezus op de achterruit en een de comandante.

Bolivia is slaperig, vreemd en opwindend. Een katholiek vernisje van processies en missen kan het ware geloof van de indiaanse meerderheid moeilijk verhullen. In Tihuanacu, door de UNESCO erkend `spiritueel en cultureel centrum' van de gelijknamige cultuur, wordt onder ons raam in het enige hotel om middernacht door een heks een lamafoetus verbrand om vruchtbaarheid van moeder aarde af te dwingen. Bij het betreden van de zilvermijn van Potosí, ooit de rijkste stad van Zuid-Amerika, ziet een beeld van een naakte rode duivel met een enorme erectie toe op het welzijn van de mijnwerkers; ze noemen hem oom Jorge.

We vliegen van de oude hoofdstad Sucre naar de nieuwe, La Paz. Jongens op driewielers vervoeren ons over de grens met Peru, waar we een taxi charteren die ons voor 25 dollar naar Puno brengt (145 km). Aan het slot van de duivelsrit zijn alle voetgangers, kippen en geiten de berm in getoeterd en is de chauffeur volledig uitgeput.

In Cuzco, de oude Inca-hoofdstad, is het toerisme een graadje erger. De schoenpoetsers en bedelaars beschikken over een fantastisch arsenaal aan trucs. Men is verpest door de drommen op weg naar het heiligdom van Machu Picchu (zie: pagina 7). Dat ligt lager dan Cuzco, maar is alleen bereikbaar per trein, die voor- en achteruit zigzaggend de bezoekers afzet in een fantastisch westerndorpje langs de spoorweg, dat wegens de hete modderbaden van oudsher bekendstaat als Aguas Calientes. Zo'n tourist trap, met jaren zestigmuziek, spotgoedkope alpacatruien, dansende kleuters en lamasteaks, kun je moeilijk haten.

Heel Peru, aangetast door het massatoerisme en in een goed blaadje bij UNESCO met goedgekeurde binnensteden van Cuzco, Arequipa, Lima én de mystieke ruïne van Machu Picchu, roept zulke twijfels op. Het leukst vond ik het wisselen van de wacht bij het presidentieel paleis van Lima, met een in operette-uniformen gestoken militair muziekkorps dat een paso doble maakte van El condor pasa.

Bij wijze van toetje vliegen we van Lima naar Iquitos, een grote stad aan de Amazone die ook al niet over de weg bereikbaar is. De stad van de legendarische rubberbaron Fitzcarraldo lijkt door de motorriksja's, de temperatuur en het uiterlijk van de inwoners wel Indonesië. Geraldo, de joviale Noord-Amerikaanse uitbater van de bar Yellow Rose of Texas is een fan van president Bush, zegt hij terwijl hij CNN opzet. In Iquitos wonen bijna alleen oplichters, maar als we in drie dagen nog wat meer van de Amazone willen zien, zit er volgens hem maar één ding op: aanmonsteren met je hangmat op een vrachtboot.

Dus zoeken we die middag een plekje in het ruim van de Kike, op weg naar de grens met Brazilië. In een commune van indiaanse gezinnen schommelen we traag oostwaarts. Af en toe komt een grote blauwe vlinder buurten.

Voor de terugweg hadden we al in Iquitos passage geboekt op een speedboot, die de reis van 17 uur terug in vier uur aflegt. Een plekje op de Kike kostte 200 soles (0,25 euro), voor een stoel in de onfatsoenlijk snelle toeristenboot betaal je 50 dollar. Na twee uur slaat de motor af. De schipper klimt op het dek en zwaait na enige tijd met zijn hemd naar de passerende vrachtboot Milagritos (`Wondertjes'). We worden op sleep genomen en de boze rijke Peruanen aan boord betreden woedend het hangmatdek van de vrachtschuit. De indiaanse vrouwen lachen zich een kriek, een paar aan de bank gebonden kippen kijken verbaasd toe. Het is goed reizen met openbaar vervoer in Zuid-Amerika.

Zuid-Amerika

Iberia (www.iberia.com) biedt doorgaans de goedkoopste vluchten van en naar Zuid-Amerika. Let wel op genoeg overstaptijd in Madrid! De wachttijd bij de enige balie op het vliegveld van Madrid die transitproblemen kan oplossen, bedraagt soms wel drie uur. Gezien beenruimte en ander beperkt comfort valt een prettig hotel na de intercontinentale vlucht sterk aan te raden.

    • Hans Beerekamp