`The easy life in the sunny Middle-East'

In het centrum van Tel Aviv staat de grootste verzameling Internationale Stijl of Bauhaus-gebouwen ter wereld. De UNESCO heeft daarom het centrum van de Israëlische metropool, de `Witte Stad', op de Werelderfgoedlijst geplaatst.

``Tel Aviv. Zee. Licht. Zand, bouwsteigers, kiosken, een fonkelnieuwe, witte Hebreeuwse stad, met strakke lijnen, oprijzend tussen citrusboomgaarden en duinen. Niet zomaar een plaats waar je met de Eggedbus naartoe reist, maar een totaal ander continent.''

In A tale of Love and Darkness haalt de Israëlische schrijver Amos Oz herinneringen op aan de jaarlijkse, naoorlogse bezoekjes aan Lenteheuvel (Tel Aviv). Voor een jochie uit het zwaarmoedige Jeruzalem natuurlijk toen ook al een verademing, want, lichter, frisser en helderder. Een stad waar volgens zijn waarneming de mensen, de pas gearriveerde zionisten, de overlevenden van de holocaust, zelfs met grotere stappen, sprongen zelfs, door de straten ,,zweefden''. Tel Aviv was het `Altneuland' waar de grondlegger van het zionisme, Theodor Herzl, over geschreven had. Een sociaal-democratisch ideaal, modernisme van steen en beton.

Of een toekomstige Amos Oz, over zeg een jaar of vijftig, het hedendaags Tel Aviv in even adorerende bewoordingen zal beschrijven, moet worden betwijfeld. Tel Aviv anno 2004 is een kruising tussen Manhattan, Rotterdam-Zuid en een Arabische soek, rondom een centrum waar de `Witte Stad', althans voor wie een klein beetje kleurenblind is, zijn bijnaam eer aan doet. De dominante tint is eerder beige, kaki-bruin en asgrijs.

De jonge Amos liep met zijn moeder en tantes over de brede boulevards en de winkelstraten, over het Zena Dizengoff-plein, de brede lommerrijke Rothschildboulevard; langs Cinema Esther, het Beit Engel, langs het Breitlinghuis, de kubistische appartementengebouwen met ronde, overhellende balkons, en de smalle, horizontale Le Corbusierramen. Hij zag het resultaat van de dadendrang van de 17 jonge joodse architecten die voor de oorlog hadden gestudeerd aan het Bauhaus voor Architectuur en Design in het Duitse Breslau, bij Le Corbusier in Parijs en op de architectenacademies van Gent, Brussel en Warschau.

Jongeren als Arieh Sharon (geen familie van), Dov Karmi, Zeev Rechter, Pinchas Hueth, Josef Neufeld en Genia Averburch (de ontwerpster van het Dizengoff-plein) waren modernisten, adepten van de Internationale Stijl. Zij kregen in de jaren dertig en veertig de kansen en de ruimte, omdat het in 1906 gestichte Tel Aviv een bouwhausse doormaakte om de golven aan immigranten te huisvesten.

Blader in de tweedehands boekwinkels in de Shenkinstraat door fotoboeken- en collecties uit de jaren dertig en veertig en je ziet de lichtheid en de moderniteit die Oz in woorden tracht te vatten. De ontwerpers wilden een prettige, leefbare en ook betaalbare stad bouwen en peinsden er niet over de Ottomaanse, Arabische architectuur, hoewel vaak beeldschoon, over te nemen.

Op stille, bijna autoloze zaterdagen keert die oude sfeer terug in Bauhaus-Tel Aviv. In de warme ochtendzon, eind oktober, is de Rothschildboulevard op zijn fraaist: de bomen nog groen, de terrassen van restaurants, koffiehuizen en chocolaterieën vol. Koffie, de beste fondue au chocolat ter wereld bij Max Brenner, krantje en vervolgens een architectonisch verantwoorde toeristische verkenningstocht: the easy life in the sunny Middle-East.

Op nummer 104, op de hoek met de Shenkinstraat, zeg maar de Kalverstraat van Tel Aviv, een voorbeeld van `unieke architectuur': een volledig gerenoveerd kantorengebouw van de architect Yehuda Megidovitz uit 1937 met halfronde balkons en kubistische etages. Even verderop op 118 een appartementengebouw met alle typische Bauhaus-elementen: simpel, strak en met balkons die voor schaduw zorgen en kleine ramen die gericht zijn naar het westen, omdat daar de zeewind vandaan komt. Een eindje in zuidelijke richting, op nummer 19, een groot blok met kantoren en winkels. Op 84 het eerste Internationale Stijlhuis van de stad, het Beit Engel, in goede staat.

Maar daartussen staan ook afgebladderde, afgebrokkelde en verwaarloosde erfenissen van de beroemde architectengeneratie. Strakke, gerenoveerde elegantie wordt afgewisseld met lelijke, beschadigde verslonzing. Of perfect gerestaureerde gebouwen, zoals Cinema Esther, tegenwoordig een sfeervol hotel, worden aan het oog onttrokken door stedebouwkundige verzinsels zoals de verhoogde wandelpassages op het Dizengoff-plein.

Dan wordt ook snel duidelijk waarom architectuur-historici als Michael Levin en stadsbestuurders als burgemeester Ron Huldai zo blij zijn dat UNESCO de stad op de Werelderfgoedlijst heeft geplaatst. ,,Wat met het Great Barrier Reef in Australië gebeurt, dat ook op de UNESCO-lijst staat, moet ook met Tel Aviv gebeuren. De stad moet tegen zichzelf beschermd worden en tegen kortzichtigheid, anders gaat de unieke architectuur verloren'', zegt de in Jeruzalem woonachtige Levin, die een grote rol heeft gespeeld in de beslissing van de VN-organisatie voor onderwijs, wetenschap en cultuur.

Van hem is het predikaat de Witte Stad. Onder die titel schreef hij in 1984 een boek en organiseerde hij een expositie. The New York Times zorgde voor wereldwijde verspreiding van het begrip en zo kreeg Tel Aviv een bijnaam die ook door de toeristenbranche wordt gebruikt.

Felle zomerzon, zoute zeewind, speculanten, bijtende vleermuizenstront, ongeïnteresseerde eigenaren en uitlaatgassen hebben het werelderfgoed gedeeltelijk in de gevarenzone geplaatst. Van de in totaal 4.000 gebouwen zijn er 1.500 op de UNESCO-lijst geplaatst, 1.200 daarvan moeten ijlings worden gerenoveerd. Kostprijs: 700 miljoen nieuwe shekels, 125 miljoen euro. Er is een in 2000 opgesteld ambitieus renovatieplan, Plan 2650 B, dat ook ten grondslag ligt aan de beslissing van UNESCO om van Tel Aviv een erfgoed te maken. Over dat plan is grote bonje ontstaan. In de eerste plaats over de vraag waar het geld vandaag moet komen. Gemeenteraadsleden uit de zuidelijke en oostelijke stadsdelen beschouwen het Witte Stad-project in het centrum als een onderonsje van de toeristenindustrie, nouveaux-riches, media-types en intellectuelen om van het centrum een fraai gerestaureerde enclave voor de rijken te maken. Zij vragen zich af of er niet veel eerder geld moet naar de Zwarte Stad, naar de arme wijken in het zuiden en oosten, waar de donkere, sefardische Israëliërs uit Noord-Afrika, Irak en Iran wonen.

Ook eigenaren verzetten zich tegen het renovatieplan, omdat zij hun huizen niet meer mogen uitbreiden met een extra etage – zeer gebruikelijk in het Midden-Oosten – of het Bauhaus-balkon niet mogen vertimmeren tot een extra slaapkamer of keuken. Laat staan dat het exterieur verpest mag worden door de bouw van een liftschacht. Levin is dus niet overal even geliefd in Tel Aviv en Plan 2650 B is overspoeld met honderden bezwaarschriften.

Levin is daar niet van onder de indruk. ,,Israëliërs, zeker in Tel Aviv, beginnen altijd eerst met luidkeelse bezwaren, ruzies en advocatentoestanden. En Tel Aviv is een jonge stad, waar een beetje op een Amerikaanse manier tegen architectuur wordt aangekeken. Wat niet nieuw en modern is, kan tegen de vlakte. Maar gelukkig kunnen zij daar nu niet meer alleen over beschikken. Met dank aan de UNESCO mag de hele wereld meebeslissen. Het zal lang duren, maar onder druk van UNESCO en uit welbegrepen eigenbelang zal het wel lukken.'' Positieve woorden over de Verenigde Naties. Wie Israël kent, beseft hoe zeldzaam dat is.

Tel Aviv

Bauhaus Tel Aviv. An Architectural Guide.

Door Nahoum Cohen. ISBN 0713487925.

Website: www.interart. co.il/bauhaus

Goed hotel: Hotel Cinema, 1 Zamenhoff Street, Tel Aviv, 64373 Israël. Tel: 00 972 3 5207100

KLM en El Al vliegen enkele malen per dag tussen Schiphol en het geheel vernieuwde Ben Gurion International Airport bij Tel Aviv.