Sprekend tot de verbeelding

Volgens de Amerikaanse taalkundige Dan Slobin beïnvloedt taal onze herinnering en observatie. `Taal zet een filter op onze waarneming.'

BEÏNVLOEDT DE TAAL die we spreken ons denken? De Amerikaan Benjamin Whorf (1897-1941) dacht van wel. Hij bestudeerde indiaanse en eskimotalen, en vond dat de manier waarop die talen de werkelijkheid te lijf gingen, erg afweek van hoe zijn eigen taal, het Engels, dat deed. Hij bedacht daarvoor de term `linguïstische relativiteit': de taal die men spreekt zou van invloed zijn op de manier waarop men de werkelijkheid waarneemt.

Deze veronderstelling is altijd omstreden geweest en werd in de tweede helft van de twintigste eeuw zelfs tamelijk impopulair. De taalonderzoekers gingen toen onder leiding van Chomsky op zoek naar de universele eigenschappen van taal, terwijl er later, met de opkomst van de cognitieve wetenschap, ook een zoektocht werd ingezet naar de universele kenmerken van de menselijke cognitie. Voor het gemak werden taal en cognitie daarbij als volledig onafhankelijke systemen beschouwd.

``Als je op zoek bent naar de universele kenmerken van cognitie, dan is het behoorlijk irritant als iemand je komt vertellen dat elke taal de cognitie op een bepaalde manier kan beïnvloeden'', zegt Dan Slobin, terwijl hij in zijn broodje hapt. We zitten in een café in Groningen. De Amerikaanse taalonderzoeker is een halfjaar in Noord-Nederland, voor een onderzoek naar de verwerving van gebarentaal. Taalverwerving is zijn specialisme. Daarnaast heeft hij, samen met anderen, aan de wieg gestaan van een notatie-systeem voor gebarentalen.

Maar ook is Slobin al twintig jaar gefascineerd van werkwoorden van beweging, die volgens hem een duidelijk voorbeeld zijn van linguïstische relativiteit. ``Het is als een hobby begonnen, naast mijn reguliere werk en daarna is het helemaal uit de hand gelopen.'' Het begon ooit met The Frog Story, een prentenboek dat Slobin gebruikte voor taalvergelijkend onderzoek. Hij liet de prenten zien aan mensen die Engels of Hebreeuws spraken, en vroeg hun het verhaal bij de afbeeldingen te vertellen. Zo wilde hij de manier waarop deze twee talen met hun werkwoordstijden omgaan met elkaar vergelijken. Maar gaandeweg het onderzoek begon hem iets anders op te vallen.

kikker

``The Frog Story is een heel levendig verhaal. Een jongetje heeft een kikker, hij stopt hem in een pot. 's Nachts springt de kikker uit de pot, en hij ontsnapt via het raam. De volgende dag gaat het jongetje, samen met zijn hond, op zoek naar de kikker en ze beleven allerlei avonturen. Er zit ontzettend veel beweging in dat verhaal: ze rennen, vallen, klauteren, springen, sluipen. En opeens viel het me op dat er grote verschillen zijn in de manier waarop het Engels en het Hebreeuws die bewegingen weergeven.''

Slobin heeft inmiddels vele talen met elkaar vergeleken en is tot de conclusie gekomen dat er, waar het de beweging betreft, twee soorten talen zijn. ``Het is vrij eenvoudig'', zegt hij. ``Ze liep de tuin in is niet hetzelfde als Ze betrad de tuin. In het eerste zinnetje geeft het werkwoord de manier van bewegen aan: lopen. In het tweede zinnetje drukt het werkwoord het pad van de beweging uit: betreden = binnengaan. Wat blijkt nu? Talen hebben een voorkeur voor het een, of voor het ander.''

De Germaanse talen bijvoorbeeld hebben een voorkeur voor `manier-werkwoorden'. De Romaanse voor `pad-werkwoorden'. In het Frans zegt men: Elle est entrée dans le jardin. In het Nederlands is dat: Ze liep de tuin in. Of: Ze wandelde de tuin in. Maar het kan ook zijn dat de betreffende vrouw de tuin inrende, inholde, infietste, inreed of instrompelde. Om nog maar te zwijgen van sjokken, slenteren, schrijden, stormen, waggelen, wankelen, huppelen, kruipen, sluipen, hinken, springen, duiken.

In het Nederlands wemelt het van dergelijke manier-werkwoorden. Als de Franse equivalenten voor het Nederlands al bestaan, worden ze veel minder gebruikt. Fransen kunnen wel zeggen `Elle est entrée en courant', maar als uit de context al duidelijk is dat de vrouw aan het rennen was, dan laat men dat `en courant' weg. Het Frans heeft immers een voorkeur voor pad-werkwoorden. ``Waar het om gaat'', zegt Slobin, ``is dat dit onderscheid grote gevolgen heeft voor de manier waarop Nederlanders of Fransen naar beweging kijken.'' Maar voordat we het daar over gaan hebben, wil hij eerst vertellen hoe hij het taalkundige verschil nader heeft onderzocht.

uitgeschreven

``We vroegen Engelstaligen en Franstaligen om in één minuut zoveel mogelijk manier-van-beweging-werkwoorden op te schrijven. De Franstaligen vonden het een lastige opdracht. Na een paar werkwoorden zoals `courir' waren ze uitgeschreven. Terwijl de Engelstaligen maar bleven schrijven en schrijven.''

Slobin stelde ook vast dat Engelstalige kleuters al dertig verschillende manier-werkwoorden kennen en gebruiken. ``Ik was een keer met een Argentijnse student op een kleuterschool. Toen zagen we dat de juf een cd opzette en een spelletje ging doen: de kinderen zongen een liedje waarbij ze achtereenvolgens moesten huppelen, springen, hinken, sluipen, en ga zo maar door. Die Argentijnse student zei tegen mij: `Waarom doen ze dat? In Argentinië doen wij dat niet.' Nee, logisch: het Spaans heeft net als het Frans maar heel weinig van die manier-werkwoorden.''

Vervolgens bekeek Slobin romans. ``Een heel simpel testje. Je slaat een roman open en begint te lezen totdat je bij een passage komt waarin de hoofdpersoon zich van A naar B verplaatst. Je kijkt hoeveel informatie er over die verplaatsing wordt gegeven. Hoe verplaatst het personage zich? Welke objecten of personen komt hij onderweg tegen? Per roman analyseerden we twintig van die passages. In Engelstalige romans vind je ze overal. Maar er waren Franse romans die afvielen, omdat er niet eens twintig verplaatsingen in de hele roman voorkwamen. Wat je in het Frans vaak ziet is dat de scène zich in A afspeelt, en vervolgens ben je dan ineens in B en gaat het verhaal verder. Hoe je van A naar B komt is niet belangrijk. Bijvoorbeeld: een man is met zijn vrouw in de slaapkamer, ze krijgen een fikse ruzie, en vervolgens zit de man in een café. Hoe hij van de slaapkamer naar het café is gekomen, wordt niet verteld. Terwijl dat in een Engelstalige roman meestal wèl gebeurt: hij rende de trap af, hij liep naar buiten, hij kocht de krant, hij stak over, hij liep het café binnen en bestelde een kop koffie.''

Zelfs een roman als Honderd jaar eenzaamheid, van García Márquez, dat Slobin zich toch herinnerde als een dynamisch boek boordevol beweging, bleek bij herlezing nauwelijks beschrijvingen van beweging te bevatten. ``Het is niet meer dan: ze gingen daarheen, ze kwamen aan, verder niks.''

In nieuwsberichten op tv en in kranten doet zich iets vergelijkbaars voor. ``Dat viel me op als ik tijdens transatlantische vluchten de internationale pers doornam. In het Engels, Duits en Nederlands worden demonstraties en acties veel levendiger en dynamische beschreven dan in het Spaans of Frans.'' Bovendien worden de manier-werkwoorden in die talen ook overdrachtelijk gebruikt om ontwikkelingen in de economie of de politiek op een levendige manier weer te geven: de economie kruipt uit het dal, de kwaliteit van de natuur holt achteruit, het Vlaams Blok stoomt af op een nieuwe verkiezingsoverwinning, en de verzekeringspremies schieten omhoog.

Slobin: ``De vraag die me intrigeert is: betekent dit ook dat verschillende talen verschillende beelden oproepen bij de lezers? Dat hoeft niet, zou ik zeggen. Een zin als `De politie hield de manifestatie in bedwang' (de Franse stijl) klinkt anders dan (in Engelse stijl): `De politie hield de woedende menigte tegen, die het parlementsgebouw wilde bestormen.' Maar het kan best zo zijn, dat mensen die gewend zijn om nieuwsberichten in het Frans te lezen, op basis van die schijnbaar wat abstracte beschrijving toch hetzelfde levendige beeld opbouwen.''

Dus ging Slobin onderzoeken wat voor beelden dergelijke teksten bij de lezer oproepen. ``En toen werd het heel spannend'', zegt hij. Slobin legde mensen een fragment voor uit een Spaanstalige roman van Isabel Allende. ``Een scène waarin een man door de mist over een modderig, met stenen bedekt pad naar een dorpje loopt. We vroegen de lezers om de beelden die de tekst bij hen opriep, te beschrijven in de vorm van een filmscript: instructies voor het maken van een film.'' Bij Engelstaligen bleek dat ze er allerlei nieuwe informatie aan hadden toegevoegd: het personage liep volgens hen wankelend, struikelde bijna, zocht moeizaam zijn weg, etcetera – dingen die in de tekst niet zijn terug te vinden.

De Spaanstaligen beschreven de handeling in korte shots: het personage aan het begin van de wandeling; vervolgens het personage als hij het dorpje nadert. De Engelstaligen maakten er een lange take van, met veel beweging erin. Bij navraag bevestigden de Spaanstaligen dat zij de handeling voor zich zagen als een opeenvolging van vrij statische beelden. Opmerkelijk was dat tweetalige proefpersonen, die vloeiend Spaans èn Engels spraken, rapporteerden dat zij bij het lezen van een Engelse vertaling van het fragment een veel levendiger en dynamischer beeld voor zich zagen dan bij het lezen van het Spaanse origineel.

Slobin: ``Voor mij als Engelstalige is het daarentegen volstrekt ondenkbaar dat je die passage, als je die in het Spaans leest, zo statisch voor je ziet.

Dat wijst erop dat de invloed van de moedertaal cruciaal is bij de vorming van het mentale beeld. Een opwindend gegeven, vind ik. Blijkbaar zit het zo: hoe je een gebeurtenis registreert, is afhankelijk van hoe je moedertaal de gebeurtenissen codeert. Een Spaanstalige die in een café zit en om zich heen kijkt, focust misschien meer op wáár alles zich bevindt en minder op hóé mensen zich verplaatsen.''

Om dit verder te onderzoeken, zette een student van Slobin, Kyung-ju Oh, een abstracter experimentje op. Ze vergeleek twee talen: het Koreaans (dat een voorkeur heeft voor pad-werkwoorden) en het Engels. De proefpersonen kregen een filmpje te zien, waarin een acteur op een bepaalde manier door een bepaalde omgeving liep. Vervolgens kregen ze een daarop lijkend filmpje te zien en moesten ze vragen beantwoorden. Loopt hij in dit tweede filmpje sneller of langzamer? Met grotere of kleinere stappen? Met een grotere of kleinere beweging van de armen? Op deze vragen scoorden de Engelstaligen veel beter dan de Koreanen. Wat erop wijst dat zij inderdaad gewend zijn om te letten op de manier van bewegen.

buitenaards

Een paar andere onderzoekers bedachten een nog abstracter experiment, waar helemaal geen taal aan te pas kwam. Spaanstaligen en Engelstaligen keken op een beeldscherm naar fantasiewezentjes die zich op bizarre wijze voortbewogen, bijvoorbeeld door van hun zes pootjes er eerst vier te bewegen, en daarna twee. Tegen de proefpersonen werd gezegd: dit zijn buitenaardse wezens, biologen hebben ontdekt dat ze tot vier soorten behoren, er zijn vier knoppen waar u mee aan kunt geven om welke soort het gaat, vervolgens krijgt u telkens te zien of de keuze goed of fout was. Bij de Spaanstaligen duurde het veel langer voordat ze erachter waren dat de wezentjes moesten worden ingedeeld volgens de manier van bewegen.

``Taal schematiseert datgene wat we waarnemen'', concludeert Slobin. ``Als je iets wilt vertellen, zul je dat moeten doen binnen de categorieën van de betreffende taal. Je hebt geen keuze. En blijkbaar beïnvloedt dat de manier waarop je gebeurtenissen observeert. Het zet een filter op de waarneming.''

Slobin noemt dit thinking for speaking: ``Je geheugen moet het zó opslaan, dat je er in de betreffende taal over kúnt praten. Daar ben je op getraind. Je slaat het altijd op die manier op, ook als je er later niet over hoeft te praten.'' De werkwoorden van beweging zijn hiervan maar één voorbeeld. Stephen Levinson toonde al eerder aan dat talen verschillend omgaan met ruimtelijke oriëntatie en dat dat gevolgen heeft voor de waarneming en herinnering van situaties. Andere voorbeelden zijn, volgens Slobin, de werkwoordstijden, getal (enkelvoud, meervoud) en beleefdheidsvormen (zoals u en jij) allemaal dingen waarin talen onderling sterk kunnen verschillen.

In de tijd van Benjamin Whorf ging de discussie over taal en denken eigenlijk over de relatie tussen drie dingen: taal, denken èn cultuur. Slobin: ``Het leuke van de werkwoorden van beweging is dat het niets met cultuur te maken heeft. De Romaanse talen, de Arabische talen en het Turks hebben een voorkeur voor pad-werkwoorden. De Germaanse talen, de Slavische talen en het Chinees gebruiken liever manier-werkwoorden. Wat hebben al die culturen met elkaar gemeen? Niets. Het gaat hier niet om cultuur, maar om de structuur van die talen.''

vrouwelijk

Slobin is erg enthousiast over een onderzoek van Lera Boroditsky. Deze jonge Amerikaanse keek naar twee talen die woordgeslacht hebben: het Duits en het Spaans. Boroditsky liet Duits- en Spaanstaligen afbeeldingen zien van 24 voorwerpen en vroeg om bij iedere afbeelding zo snel mogelijk drie adjectieven op te schrijven. Ze had de afbeeldingen zo uitgekozen, dat het altijd voorwerpen betrof die in de ene taal vrouwelijk waren, en in de andere mannelijk. Vervolgens legde ze de opgeschreven adjectieven voor aan andere proefpersonen, die bij elk adjectief moesten aangeven in hoeverre zij dat woord met mannelijkheid of vrouwelijkheid associeerden. Er bleek een duidelijk verband te zijn tussen het woordgeslacht en het type adjectieven dat spontaan was opgeschreven.

Het experiment vond plaats in het Engels, een taal die alle proefpersonen goed beheersten. De moedertalen werden in het experiment niet gebruikt, maar hadden dus wèl invloed op de resultaten. Bij de afbeelding van een brug schreven de Duitstaligen, voor wie `brug' een vrouwelijk woord is (die Brücke), adjectieven als: beautiful, elegant, fragile, peaceful, pretty, slender. De Spaanstaligen, voor wie `brug' mannelijk is (el puente) schreven: big, dangerous, long, strong, sturdy, towering.

Slobin: ``Een ander leuk voorbeeld van hoe taal ons denken beïnvloedt, is het woord warmte. Wij zijn in Europa eeuwenlang op zoek geweest naar een warmte-substantie. Een stof werd gewogen, vervolgens verhit en daarna opnieuw gewogen. Men wilde weten of het zwaarder was geworden. Er was immers warmte aan toegevoegd, en warmte werd gezien als een substantie, die je kon toevoegen en ook weer kon onttrekken. Pas in 1798 kwam Benjamin Thompson op het idee dat warmte misschien iets heel anders was, namelijk, zoals hij het formuleerde: een vorm van beweging.''

Slobin glimlacht: ``Eeuwenlang hebben we in de verkeerde richting gezocht. En dat enkel en alleen omdat warmte in onze talen een zelfstandig naamwoord is.''