Spectaculair, zeer vermoeiend en niet ongevaarlijk

Wandelen in het hooggebergte van Aragon betekent stevig klimmen met beukenwortels als handvat en soppen door het sponsmos. `Hier moet je niet lijden aan hoogtevrees'.

Hoog boven de hoogste kliffen van de kloof zwalken de lammergieren. Ze bewegen in ruime kringen, alleen sporadisch slaan ze hun enorme vleugels loom naar onder en weer terug, en dat dan slechts één keer. Alsof een vleugelslag een concessie is, iets voor watjes. Er zouden in deze streek beren zitten, een kleine bruine soort. Ik word scheel van het speuren, ik zou graag een beer zien scharrelen tussen de kruip-eikjes. Intussen heb ik gehoord dat er in dit hele bergmassief nog hooguit drie van die beesten wonen. Wat te doen? Lokken? Honing? `Blikjes gecondenseerde melk, maar brood hoeft niet?'

Laat maar. Die gieren zijn genoeg majesteit.

In de Pyreneeën aan de Spaanse kant, in het hooggebergte van Aragon dat weer hoort tot de provincie Huesca, hebben we onze wandelzinnen gezet op twee kloven in het bergmassief rond de piek van de Monte Perdido (3352 meter). In 1997 is dat gebied, samen met een stuk aangrenzende Franse Pyreneeën, aangewezen als UNESCO werelderfgoed – om de schoonheid van het landschap, als uniek natuurgebied en vanwege de goed bewaarde herinneringen aan eeuwenoud agrarisch gebruik van de valleien. Kan allemaal zijn, wij wilden er naartoe als een volmaakte streek om te bewandelen.

We deden dat eind september. Dit natuurpark is wereldbefaamd en 's zomers misschien vol, dachten we, met zijn tegen de twee miljoen bezoekers. Het risico van regen en storm namen we dus voor lief, ook in de overtuiging dat de kleuren en het licht in de bergen nooit zo mooi zijn als in de vroege herfst.

De canyon die de Valle de Ordesa heet is al sinds 1918 een Parque Nacional. Gaandeweg werd dat gebied uitgebreid en nu strekt het zich uit over vier kloven, elk met hun eigen rivier, samen een scheve X met de Monte Perdido als snijpunt.

Het is een ruw maar weldadig landschap, met de wolken dichtbij. Waar het lichtbruine vee nog graast maar slechts weinigen meer wonen, kent de streek meeslepende ruïnedorpen die laten voelen hoe hier tot voor kort gewoond werd. Zo'n dorp mag verlaten zijn, de doden vereenzamen niet. Isabel Lardies Palacio is in 1925 overleden, maar iemand zette een pot zeer levende begonia's naast haar kruis van zwart krullend smeedwerk.

Wie de vallei van Ordesa wil betreden, moet aan de weg onder het middeleeuwse vestingstadje Torla een bus nemen, privé verkeer mag het park niet in. We dachten dat we vroeg waren maar we zijn net op tijd: nauwelijks uit de touringcar gestapt, zien we de zon binnen drie minuten tevoorschijn komen boven de bergkam. Hij kleurt de hemel marsepeinroze en de getande randen van de grijze bergen lavendelblauw.

De wandeling is simpel. Er ligt een pad en dat moet je volgen. Eerst voert het over de bodem van de brede canyon, door een bos van berken en dennen. De randen van de bergen liggen verrekijkerhoog. Daar is de eerste waterval. Een bordje met een gestileerd cameraatje wijst erop dat je even van het pad moet om hem goed te bekijken. Aan zulke betutteling kun je je ergeren, maar dat bordje spreekt alleen Spaans, en die waterval, die had ik niet willen missen: die rent met zijn allen de trappen af. De andere watervallen trouwens ook niet: de lange lijs die L'Estrecho heet, de sproeiregenbui in een nachtblauwe poel (La Cueva) of de Cola de Caballo, inderdaad sprekend een waaierende paardenstaart, deinend of hij vastzit aan een reusachtige schimmel in stap.

De Valle de Ordesa loopt uit op een dal in ronde lijnen uitgeslepen door ijs en water, een `keteldal'. Een ketel? Ja: het is hier kaal, met mossig gras begroeid en bezaaid met keien en keitjes. Een afgezaagde fluitketel, met ketelsteen, schimmel en al. De hellingen zijn ongenaakbaar. Hogerop dragen de kalkstenen bergen witte halsbanden, in het zadel boven de Cola de Caballo steekt de Monte Perdido de kop op, herkenbaar aan zijn top onder een schuinse alpinopet. Het pad voert nu terug langs de andere kant van de canyon, stijgend langs de wand van de vallei. De bomen houden zo'n beetje op. Er shuffelt een alpenmarmot tussen de rotsen en de stekelstruikjes. Hij steekt zijn neus op, ruikt eens aan de lucht en verdwijnt. In alle rust, zijn zware staart als een buit met zich meeslepend.

We belanden op een langgerekt terras met uitzicht over de machtige, als draperieën geplooide bergmassieven aan de overzijde. Gevaar. Niet na 15 uur beginnen meldt plompverloren een bordje. In drie talen, dus een serieuze waarschuwing. Maar zou iemand die zo ver als dit gekomen is, nog omkeren en teruglopen? Een uur later blijkt het bord te verwijzen naar de lange, steile afdaling over een volslagen vergleden pad. Ik ben blij dat de schemer nog niet doorzet en de grond droog is. Spectaculair, zeer vermoeiend en niet ongevaarlijk.

's Avonds bekomen we achter borden met wat de pot schaft: stoofpot van everzwijn met doorweekte patat er overheen, een forelletje met plakje ham in de holte van zijn buik.

De auteur van onze reisgids kan niet kiezen welke hij mooier vindt, de Valle de Ordesa of de Cañon de Anisclo. Ik wel. Hoe weergaloos dat keteldal van Ordesa ook is, het geweld van het water definieert het smalle ravijn van Anisclo, het beukt en het splijt en daar kan niets tegenop. Rotsen, poeltjes, stroompjes, alles kronkelt – we lopen door de hersenen van de Pyreneeën. De linker hersenhelft, schat ik.

De rivier wringt zich in snelle bochten, met veel geraas en geschuim en waterpartijen, met druipgras en sponsmos en natte struiken op alle randen en randjes. Verrassingswatervalletjes denderen over het pad, spoelen om de neuzen van onze schoenen. Hier is het stevig klimmen en dalen, met beukenwortels als voetsteun en handvat. Hier moet je niet lijden aan hoogtevrees, hier kun je, hogerop, tot je zelf komen op koel overhuifde bospaden, onder allerlei loof en evergreens.

Op een uitgestoken rotspunt stookt de zon een heloranje vuurtje. De bergen veranderen per minuut van uiterlijk, de kliffen lijken complete steden, vestingen, fortificaties, met uitkijkposten en afgeronde torenformaties. Er zijn cavalcades van steenslag, maar er is ook een kerkorgel met honderden pijpen en weer andere, afgeronde pieken suggereren meubelstukken met een raadselachtig doel. Dichte bossen kruipen in de richting van de toppen, beneden wordt het zonlicht teruggestoten.

Langs het smalle pad naderen we steeds dichter aan de gieren, maar ze zijn niet thuis. Eindelijk zie ik er een: heel hoog geeft hij één cirkel weg. Dan verdwijnt hij uit zicht.

Spaanse Pyreneeën

Valle de Ordesa. Overnachten in Torla, daarvandaan vertrekt de bus (de enige mogelijkheid om de vallei te bereiken). Hotel Villa de Torla, Plaza Aragón, 22376 Torla (Huesca). Tel. 00 34 9 74 48 61 56. Tweepersoonskamer ongeveer 50 euro per nacht, menu 17 euro. Inl. www.staragon.com/villatorla

Cañon de Anisclo. Overnachten in Nerin. Suggestie: Hotel Palazio. Tel. 00 39 7 44 89 002. Tweepersoonskamer 66 euro per nacht, menu 13 euro. Inl. www.hotelpalazio.com

NB: De entree tot Cañon de Anisclo is alleen per auto te bereiken.

Beide wandelingen nemen elk een dag in beslag (tussen de acht en de tien uur). Informeer voor vertrek hoe laat de zon ondergaat. Wandelen in het donker is gevaarlijk.

Aanbevolen wandelgids: Ton Joosten: Spaanse Pyreneeën in 50 wandelingen. Uitg. Elmar, 2000.

    • Joyce Roodnat