Rijnders' Blöd kakafonische koorzang

,,Als je eenmaal in een koor zit kom je er nooit meer uit.'' De vijf actrices in de voorstelling Blöd beseffen dat te laat. Ander werk dan deelname aan koren in Griekse tragedies kunnen zij al sinds tijden niet vinden. Terwijl ze in de kleedkamer op hun zoveelste collectieve inzet wachten, kijken zij terug op het begin van hun ellende, hun debuut als koor, een traumatiserende ervaring onder een onmogelijke regisseur uit Duitsland.

Die regisseur wordt niet met name genoemd, maar de bij Blöd behorende tentoonstelling, met foto's, videofragmenten en krantenknipsels, doet er minder geheimzinnig over: het gaat om de Duitser Jürgen Gosch. En de tragedie waarvoor hij zijn koor kennelijk zo martelde was Bakchanten van Euripides, in 1998 opgevoerd bij Toneelgroep Amsterdam. Om hun teksten kracht bij te zetten moesten de actrices met stokken op de muren slaan - net zo lang tot hun handen bloedden, volgens de speelsters in Blöd, van wie er drie werkelijk aan Bakchanten hebben meegedaan. Daarbij droegen ze enorme maskers met piepkleine kijkgaatjes: zo zagen ze bijna niks en het publiek zag geen mimiek, geen menselijke gezichten. Gosch amputeerde de acteurs, aldus een boze recensent. Daarbij kwam de geestelijke marteling: Gosch wist tijdens de reptities lange tijd niet wat hij met het koor aanmoest, en vond alles wat de vrouwen bedachten stom.

Gerardjan Rijnders, als toenmalig leider van Toneelgroep Amsterdam nauw bij deze memorabele productie betrokken, interviewde de vrouwen en gaf het resultaat de vorm van een komedie, een ode aan het koor: terwijl een koor zich in de kleedkamer voorbereidt op een optreden, vertelt het in koorvorm over een eerder koor. Daarmee overstijgt hij de anekdote over een moeizaam verlopen toneelstuk.

Blöd bevat heel veel gezamenlijk gezingzeg en soms zelfs heus gezang, want de vijf actrices, toch wel tragisch, kunnen nu eenmaal niet aan hun rol van koor ontkomen. Opgesloten in een smalle kijkdoos etaleren zij hun frustraties; ze schreeuwen, stampen en smijten met spullen, en hun hysterie doet nauwelijks onder voor de uitzinnigheid van de door hen zo gehate bacchantes. Maar waar zij als aanhangsters van de wijngod Dionysos bij Gosch strak in het gelid bleven, vormvast en ondanks de roes beheerst, daar vliegt Rijnders soms uit de bocht.

Hij laat Lieke-Rosa Altink, Sjoera Retêl, Barbara Pouwels, Fleur Renes en Santra Mattie te veel op de lach spelen: ze schmieren dat het een aard heeft, elkaar overtroevend in expressie en volume, en niet zelden ontspoort Boudewijn Tarenskeens muziek in een kakofonie van onverstaanbare stemmen. Natuurlijk, de teksten vanachter de maskers bij Gosch waren óók dikwijls moeilijk te volgen. Maar hier krijgt die imitatie iets zeldzaam rommeligs, zoals ook de hardnekkige vertaling van `het koor' naar `das Chor' een onvergeeflijke slordigheid is; het is immers `der Chor'.

Blöd dankt zijn naam aan een stopwoordje van die verschrikkelijke Duitse regisseur. Steeds als het koor hem niet aanstond zou hij `Blöd!' hebben geroepen, wat zoiets betekent als `stom'. Het is ook van toepassing op een deel van dit vermakelijke maar zeer onvolmaakte toneelstuk over toneel.

Voorstelling: Blöd, door Bellevue Lunchtheater. Tekst en regie: Gerardjan Rijnders. Muziek: Boudewijn Tarenskeen. Gezien: 7/1 Bellevue, Amsterdam. Aldaar t/m 30/1 (aanvang 12u30). Inl: 020-5305301 of www.theaterbellevue.nl.

    • Anneriek de Jong